ECLI:NL:CRVB:2007:BB5393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid en toepassing reductiefactor
Betrokkene, een zelfstandige supermarktuitbater, kreeg sinds 1998 een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100% na een hernia en operatie. In 2004 werd een herbeoordeling uitgevoerd waaruit bleek dat betrokkene rugsparende werkzaamheden kon verrichten met een verlies aan verdiencapaciteit van circa 24,74%. Op basis hiervan trok het UWV de uitkering per 15 augustus 2004 in.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, waarna het UWV in hoger beroep ging. De Raad oordeelde dat appellant ten onrechte geen rekening had gehouden met het feit dat betrokkene minder uren belastbaar was dan in zijn maatgevende arbeid (60 uur per week). Hierdoor moest de loonwaarde van passende functies worden gemaximeerd op het maatmaninkomen per uur en vervolgens met een reductiefactor worden gecorrigeerd.
De Raad stelde vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid hoger was dan 25%, zodat de intrekking van de WAZ-uitkering onterecht was. De medische beperkingen waren adequaat vastgesteld en in overeenstemming met het advies van de orthopedisch chirurg. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten aan betrokkene.
Uitkomst: De intrekking van de WAZ-uitkering per 15 augustus 2004 was onterecht vanwege een onjuiste toepassing van de reductiefactor.