ECLI:NL:CRVB:2007:BB5577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige motivering
Appellante, die sinds 1993 wegens vermoeidheidsklachten arbeidsongeschikt is, kreeg haar WAO-uitkering in 2004 herzien van 80-100% naar 25-35% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen aanwijzingen voor zwaardere beperkingen aanwezig waren.
In hoger beroep handhaafde appellante haar bezwaren tegen de medische grondslag en stelde dat de arbeidskundige beoordeling onvoldoende was gemotiveerd. De Raad concludeerde dat het UWV pas in hoger beroep een afdoende arbeidskundige onderbouwing had gegeven, waardoor het bestreden besluit strijdig was met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand conform artikel 8:72, derde lid, Awb. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke en tijdige motivering van besluiten door bestuursorganen, met name bij complexe arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende arbeidskundige motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.