ECLI:NL:CRVB:2007:BB5648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellante was sinds 1973 werkzaam als verkoopster opticien en kreeg vanaf 1998 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 2003 vond een herbeoordeling plaats waarbij het UWV haar arbeidsongeschiktheid vaststelde op 15-25%, gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat haar beperkingen werden onderschat en dat de medische grondslag onzorgvuldig was.
De rechtbank verwierp het bezwaar en oordeelde dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat het UWV geen vergoeding hoefde te betalen voor overschrijding van de bezwaartermijn. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar belastbaarheid onvoldoende was meegenomen, onder meer vanwege een angststoornis en het ontbreken van beperkingen voor lawaai en drukte in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De Raad concludeerde dat de medische beperkingen zoals vastgelegd in de FML overeenkomen met het medisch beeld en dat de arbeidskundige onderbouwing pas tijdens de procedure in eerste aanleg voldoende werd gemotiveerd. Het bestreden besluit werd vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.