Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2007:BB5682

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/2748 WAO en 05/2749 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit WAO-uitkering wegens onzorgvuldige voorbereiding, bevestiging weigering ziekengeld

Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich in juli 2001 ziek met diverse klachten. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidsdeskundige rapporten een gedeeltelijke WAO-uitkering vast, waarbij een verlies van verdiencapaciteit van circa 20% werd vastgesteld. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen en door de rechtbank werd bevestigd.

In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte medische informatie buiten beschouwing had gelaten. De Raad oordeelde dat het UWV de medische beperkingen niet onjuist had ingeschat, maar dat de voorbereiding en motivering van het besluit onvoldoende zorgvuldig waren, waardoor het besluit vernietigd werd. De rechtsgevolgen van het besluit bleven echter in stand.

Ten aanzien van het ziekengeld oordeelde de Raad dat appellant niet ongeschikt was voor de functies die bij de WAO-beoordeling waren geselecteerd en dat de weigering van ziekengeld terecht was. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en bevestigde het eerdere besluit tot weigering van ziekengeld.

Uitkomst: Besluit tot toekenning WAO-uitkering vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding, rechtsgevolgen blijven in stand; weigering ziekengeld bevestigd.

Uitspraak

05/2748 WAO en 05/2749 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Appellant],
tegen de uitspraken van de rechtbank Zutphen van 17 maart 2005, 03/686 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 03/1368 (hierna: aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.F.E. Sprenkels, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2007. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, heeft op 23 juli 2001 zich wegens abdominale klachten en rugklachten ziek gemeld. Daarnaast was op dat moment sprake van hoofdpijnklachten en raakte appellant snel geprikkeld. Appellant is in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op 27 mei 2002 door de verzekeringsarts J.K. van Essen gezien, die hem, hoewel hij geen duidelijke afwijkingen heeft geconstateerd, beperkt belastbaar heeft geacht voor zwaar lichamelijk inspannend werk en voor werk in lawaaierige omstandigheden. Verzekeringsarts Van Essen heeft appellants beperkingen vastgelegd in de (Kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 27 mei 2002. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige F. Slijm met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem functies geselecteerd die voor appellant met zijn beperkingen geschikt waren te achten. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor appellant geldende maatmaninkomen resulteerde volgens arbeidsdeskundige Slijm blijkens zijn rapport van 13 september 2002 in een verlies van verdiencapaciteit van 19,85%. Bij besluit van
17 september 2002 heeft het Uwv appellant met ingang van 22 juli 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. In zijn rapport van 27 maart 2003 heeft de bezwaarverzekeringsarts G.P.J. Kanter de bevindingen van verzekeringsarts Van Essen onderschreven, waarna het Uwv bij besluit van 3 april 2003 (bestreden besluit 1) de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit ongegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 1 het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de door hem ingebrachte medische informatie.
Appellant heeft zich met ingang van 25 november 2002 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met dezelfde klachten opnieuw ziek gemeld. Nadat op basis van medisch onderzoek was gebleken dat de belastbaarheid van appellant in grote lijnen onveranderd was ten opzichte van de beoordeling voor de schatting in het kader van de WAO per 22 juli 2002, heeft het Uwv appellant bij besluit van 27 mei 2003 medegedeeld dat hij met ingang van 26 mei 2003 geen recht meer heeft op ziekengeld. De bezwaarverzekeringsarts M. Bakker heeft de eerdere medische bevindingen in haar rapport van 1 augustus 2003 bevestigd. Vervolgens heeft het Uwv de bezwaren van appellant bij besluit van 18 augustus 2003 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij aangevallen uitspraak 2 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelt appellant dat hij zich niet kan verenigen met de stelling van de rechtbank dat hij op en na 26 mei 2003 niet wegens ziekte of gebrek ongeschikt was om de hem voorgehouden functies te verrichten.
De Raad overweegt als volgt.
05/2748 WAO
De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid niet onjuist heeft ingeschat en in de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht. In tegenstelling tot hetgeen appellant stelt, heeft de rechtbank de door appellant in beroep ingebrachte medische informatie wel in zijn oordeel betrokken.
Op de door appellant in hoger beroep overgelegde brief van de verzekeringsgeneeskundige M.M.F. Timmerhuis van 17 april 2007 heeft het Uwv gereageerd met een rapport van bezwaarverzekeringsarts Bakker van 15 mei 2007. In dit rapport geeft zij aan dat de beoordeling door Timmerhuis ruim vier jaar na de in het geding zijnde data heeft plaatsgevonden op basis van de stukken en dat uit het rapport geen nieuwe medische gegevens over deze data naar voren komen. De Raad kan zich hiermee verenigen.
Tenslotte stelt de Raad vast dat het Uwv eerst in een rapport van 13 april 2007 – en derhalve pas in hoger beroep – de schatting heeft voorzien van een zodanige deugdelijke toelichting en motivering dat op grond daarvan voldoende inzicht is geboden in en een voldoende mogelijkheid tot toetsing is verschaft van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen waarop de schatting berust. In lijn met de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 en volgende) brengt het vorenstaande de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vanwege onzorgvuldige voorbereiding en motiveringsgebreken voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad is evenwel van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb in stand dienen te worden gelaten.
05/2749 ZW
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel leidt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor tenminste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de WAO.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv in dit geval op goede gronden als ‘zijn arbeid’ in de zin van de ZW heeft aangemerkt de functies die aan appellant zijn voorgehouden bij de beoordeling van zijn aanspraak op een WAO-uitkering per
22 juli 2002. De Raad kan zich eveneens vinden in het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op juiste gronden heeft bepaald dat appellant, nu zijn beperkingen op de in het geding zijnde datum niet waren toegenomen, op en na 26 mei 2003 niet wegens ziekte of gebrek ongeschikt was om de hem in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies te verrichten. Het in hoger beroep in geding gebrachte rapport van verzekeringsgeneeskundige Timmerhuis kan ook in dit geval niet tot een ander oordeel leiden. De aangevallen uitspraak 2 komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt aangevallen uitspraak 1 (05/2748 WAO);
Vernietigt het besluit van 3 april 2003;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt;
Bevestigt aangevallen uitspraak 2 (05/2749 ZW).
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Gunter.
JL