ECLI:NL:CRVB:2007:BB5717
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het UWV om haar geen WAO-uitkering toe te kennen omdat zij naar mening verdergaand arbeidsongeschikt is dan vastgesteld. De rechtbank Utrecht heeft het beroep ongegrond verklaard omdat onvoldoende medische onderbouwing werd gevonden voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid dan de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangaf.
In hoger beroep voert appellante aan dat haar nek-, rug- en psychische klachten zijn onderschat en dat de voorgehouden functies niet voldoen aan de medische beperkingen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de medische onderzoeken van het UWV zorgvuldig zijn uitgevoerd en dat er geen objectieve aanwijzingen zijn die de conclusies van de verzekeringsartsen onjuist maken.
De Raad wijst ook op het feit dat de zorgtaak binnen het gezin niet onder de WAO valt en dat de bezwaararbeidsdeskundige alle relevante beperkingen heeft meegewogen bij het selecteren van geschikte functies. De resterende functies waarop de schatting is gebaseerd, liggen medisch binnen het bereik van appellante.
Daarom wordt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank bevestigd en wordt geen externe deskundige benoemd. De Raad ziet geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WAO-uitkering toe te kennen wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.