ECLI:NL:CRVB:2020:2743
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek bevestigd
Appellant, werkzaam als mobiel surveillant, viel uit op 3 mei 2013 en ontving aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling stelde het UWV op 6 januari 2017 vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 59,37%, waarna de WIA-uitkering met ingang van 27 september 2017 werd beëindigd. Zowel appellant als zijn werkgeefster maakten bezwaar tegen dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij alle klachten en medische informatie waren betrokken. De rechtbank vond dat de geselecteerde functies passend waren en dat er geen reden was om te twijfelen aan de medische conclusies.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt over onzorgvuldigheid en onderschatting van zijn beperkingen, verwijzend naar aanvullende medische informatie en zijn kwetsbare thuissituatie. De werkgeefster stelde in incidenteel hoger beroep dat de datum in geding onjuist was vastgesteld.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist zijn vastgesteld. De aanvullende informatie was reeds bekend en meegenomen in de beoordeling. De dagbesteding wordt niet gelijkgesteld aan medische behandeling. De Raad oordeelt dat de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden en dat het incidenteel hoger beroep van de werkgeefster faalt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering en wijst de beroepen af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering van appellant terecht is beëindigd na een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek.