ECLI:NL:CRVB:2007:BB5908
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als bloembindster en meldde zich ziek wegens schouder-, nekklachten en hoofdpijn. Na de wachttijd van 52 weken werd haar een WAO-uitkering geweigerd omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. In 2003 meldde zij zich opnieuw ziek met psychische en hartklachten. Een verzekeringsarts concludeerde dat zij beperkingen ondervond door een depressieve episode en mitralisinsufficiëntie, wat resulteerde in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
Een arbeidsdeskundige stelde vast dat appellante met deze beperkingen nog functies kon vervullen waarmee zij voldoende inkomen kon verwerven. Het Uwv weigerde daarom een WAO-uitkering per 16 juli 2004. Appellante voerde aan dat zij niet kon werken en verwees naar een WSW-indicatie uit 2007, maar deze indicatie was niet relevant voor de datum in geschil.
De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat de fysieke en psychische beperkingen adequaat waren meegenomen, mede gezien verbetering na medicatie. De Raad vond geen aanwijzingen dat het onderzoek onzorgvuldig was of dat de beperkingen werden onderschat. Ook de functies die appellante werden aangeboden sloten aan bij haar beperkingen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Groningen werd bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is.