ECLI:NL:CRVB:2007:BB5925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verlaging WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering
Appellant ontving sinds 1 april 1998 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij een vijfjaarlijkse herbeoordeling stelde een verzekeringsarts een diagnose en werd de belastbaarheid van appellant vastgesteld, waarna het UWV de uitkering verlaagde tot een arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25% per besluit van 28 november 2003. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen bij besluit van 12 januari 2005. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, met name vanwege het niet inwinnen van informatie over zijn vaatproblematiek en het niet meenemen van zijn diabetes. Ook voerde hij aan dat er tegenstrijdigheden waren tussen de medische en arbeidskundige beoordelingen. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen de vaatproblematiek hadden betrokken en dat het niet meenemen van diabetes niet onderbouwd was. De Raad vond echter dat de arbeidskundige beoordeling van één functie (samensteller metaalwaren) onjuist was vanwege overschrijding van de maximale belastbaarheid.
De Raad vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering van de arbeidskundige grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het griffierecht werd vergoed. Er werd geen schadevergoeding toegekend omdat de rechtsgevolgen in stand bleven.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.