ECLI:NL:CRVB:2007:BB6017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AAW/WAO-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid tijdens verzekeringsperiode
Appellant verzocht het UWV om een uitkering op grond van de AAW en WAO, stellende sinds 1994 arbeidsongeschikt te zijn door de ziekte van Parkinson. Het UWV wees dit verzoek af omdat appellant op het moment van arbeidsongeschiktheid niet verzekerd was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat twijfel over het intreden van arbeidsongeschiktheid voor risico van appellant komt.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze overwegingen. Hoewel klachten sinds 1994 aanwezig waren, was er geen bewijs dat deze tot arbeidsongeschiktheid leidden tijdens de verzekeringsperiode. Medische stukken tonen aan dat appellant tot juni 1997 vrijwel klachtenvrij was dankzij medicatie. Appellant bracht geen medische stukken in die het oordeel van de verzekeringsartsen konden weerleggen.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst een proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 oktober 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AAW/WAO-uitkering wegens het ontbreken van arbeidsongeschiktheid tijdens de verzekeringsperiode.