ECLI:NL:CRVB:2007:BB6019

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3333 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vrijstelling premiebetaling AOW-verzekering

Appellante ontvangt sinds 1984 een Hinterbliebenenrente uit Duitsland en woont sinds 1985 in Nederland. Zij verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om vrijstelling van de AOW-verzekeringsplicht omdat zij vanaf haar 65e geen AOW-uitkering wilde ontvangen en voldoende inkomsten had.

De Svb wees het verzoek af omdat appellante niet voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling. De rechtbank bevestigde deze weigering en stelde vast dat appellante niet aan de criteria voldeed. Appellante richtte haar bezwaar vooral op de dubbele belasting- en premieheffing tussen Nederland en Duitsland, maar dit was niet relevant voor de beoordeling van het geschil.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de Svb terecht de vrijstelling had geweigerd. Er werden geen proceskosten opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Svb om appellante vrijstelling van de AOW-premie te verlenen.

Uitspraak

05/3333 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 26 april 2005, 04/1027 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 18 oktober 2007.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Namens appellant is haar partner J. van Zwol verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Gersie.
II. OVERWEGINGEN
Appellante ontvangt sinds het overlijden van haar echtgenoot in 1984 een Hinterbliebenenrente uit Duitsland. Zij woont sedert 1985 in Nederland.
Appellante heeft zich op 13 april 2004 tot de Svb gewend met het verzoek niet in aanmerking te komen voor een AOW-uitkering. Zij heeft daarbij naar voren gebracht vanaf haar 65e jaar geen AOW-uitkering te willen ontvangen omdat zij over voldoende inkomsten zal beschikken en derhalve geen premie te willen betalen. Zij heeft vervolgens middels een haar door de Svb toegezonden formulier een aanvraag om vrijstelling verzekeringsplicht volksverzekeringen ingediend.
Bij besluit van 4 mei 2004 heeft de Svb geweigerd aan appellante de gevraagde vrijstelling te verlenen omdat zij niet aan de voorwaarden daarvoor voldoet. Dit besluit is door de Svb bij het bestreden besluit van 4 augustus 2004 na bezwaar gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante niet aan de voorwaarden voor vrijstelling van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen voldoet, zodat de Svb terecht heeft geweigerd haar die vrijstelling te verlenen. De Raad kan zich in deze overwegingen geheel vinden.
Met de rechtbank stelt de Raad voorts vast dat appellantes bezwaren zich met name richten tegen het (tot 1 januari 2006 geldende) gebrek aan afstemming van de belasting- en premieheffing in Nederland en Duitsland, waardoor appellante te veel en/of dubbele belasting en premie zou hebben betaald. Dit kan echter bij de beoordeling van het onderhavige geschil geen rol spelen.
Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) A. Kovács.
IJ171007