ECLI:NL:CRVB:2007:BB6027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning WAO-uitkering ondanks niet-rechtmatig verblijf
Appellante werkte sinds 1 september 1996 als kamermeisje en beschikte tot 12 februari 1997 over een geldige verblijfsvergunning die arbeid toestond. Na deze datum had zij geen geldige verblijfstitel meer. Op 18 februari 2003 stopte zij met werken wegens ziekte. Het UWV weigerde op 29 maart 2004 een WAO-uitkering omdat appellante niet als werknemer werd beschouwd vanwege haar illegale verblijf.
Na bezwaar handhaafde het UWV het besluit op 26 juli 2004. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Kort voor de zitting van de Raad gaf het UWV aan het besluit niet langer te handhaven en toe te zullen kennen met ingang van 18 februari 2004.
De Raad oordeelt dat het bestreden besluit niet kan blijven bestaan en vernietigt het. Het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en hoger beroep, en bepaalt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarin de WAO-uitkering aan appellante wordt toegekend.