ECLI:NL:CRVB:2007:BB6030
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering bij gecombineerde deeltijdfuncties ondanks gescheiden ziekte-uitval
Appellante betwistte de toekenning van een WAO-uitkering aan werkneemster, die twee deeltijdfuncties vervulde bij verschillende werkgevers. Werkneemster meldde zich ziek voor de ene functie op 12 december 2001 en voor de andere op 26 februari 2002. Het UWV kende een WAO-uitkering toe met ingang van 11 december 2002, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. Zij voerde aan dat de functies los van elkaar moesten worden beoordeeld en dat de wachttijd van 52 weken voor de functie bij appellante niet was vervuld. De Raad overwoog dat bij meerdere functies van ongeveer gelijke omvang de maatmanarbeid wordt gevormd door de combinatie van functies, tenzij de combinatie de grenzen van een normale dagtaak overschrijdt of de verzekerde al ongeschikt was bij aanvang van de tweede functie.
De Raad stelde vast dat werkneemster op 12 december 2001 arbeidsongeschikt werd voor haar gecombineerde functies en dat de wachttijd op 11 december 2002 was vervuld. De combinatie van functies overschreed de normale dagtaak niet en er was geen aanwijzing dat werkneemster bij aanvang van de tweede functie al ongeschikt was. Het beroep van appellante faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat werkneemster terecht een WAO-uitkering heeft gekregen vanaf 11 december 2002.