ECLI:NL:CRVB:2007:BB6181

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/5489 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWBArt. 107 AbwArt. 113 Abw
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij arbeidsverplichtingen WWB

Appellante, die een bijstandsuitkering ontving op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), was aanvankelijk ontheven van arbeidsverplichtingen vanwege zorgtaken voor haar kinderen. Het College van burgemeester en wethouders van Eindhoven stelde deze arbeidsverplichtingen vanaf 15 oktober 2004 weer gedeeltelijk van toepassing, wat bij besluit van 31 mei 2005 werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.

Appellante stelde zich in hoger beroep tegen deze uitspraak, maar de Centrale Raad van Beroep stelde ambtshalve de vraag of er nog procesbelang was. Uit een besluit van het College van 2 juli 2007 bleek dat appellante inmiddels tot 2 juli 2012 een algehele ontheffing van de arbeidsverplichtingen had gekregen. Tevens was zij niet gesanctioneerd voor het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen in de periode 2004-2007.

Gezien deze feiten oordeelde de Raad dat er geen procesbelang meer bestond bij beoordeling van het hoger beroep. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

06/5489 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2006, 05/1912 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)
Datum uitspraak: 18 september 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H.A.J. Slaats, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 7 augustus 2007. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellante ontvangt een bijstandsuitkering, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de gehuwdennorm. Appellante was in verband met zorgtaken voor haar kinderen met toepassing van artikel 107, eerste lid van de Algemene bijstandswet (Abw) tot 15 oktober 2004 volledig ontheven van de in artikel 113 van Pro de Abw neergelegde arbeidsverplichtingen.
Bij besluit van 15 september 2004, voor zover van belang, heeft het College met ingang van 15 oktober 2004 de arbeidsverplichtingen weer onverkort van toepassing verklaard, zij het voor 20 uur per week. Deze beslissing is gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2005.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 31 mei 2005 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellante nog procesbelang heeft bij een beoordeling door de Raad van de aangevallen uitspraak. In dit verband is het volgende van belang.
De Raad heeft van mr. Slaats bij brief van 25 juli 2007 een besluit van het College van 2 juli 2007 ontvangen. De Raad kan dit besluit niet anders lezen dan dat appellante inmiddels tot 2 juli 2012 een algehele ontheffing is verleend van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Voorts is de Raad gebleken dat appellante niet is gesanctioneerd wegens het niet nakomen van de aan haar bij het besluit van 15 september 2004 opgelegde arbeidsverplichtingen, en de Raad acht het niet aannemelijk dat het College ter zake van de afgesloten periode van 15 september 2004 tot 2 juli 2007 alsnog hiertoe zal overgaan. Nu daarvan ook overigens niet is gebleken, brengt het voorgaande mee dat er geen sprake - meer - is van procesbelang.
Gelet hierop dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en G. van der Wiel en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 september 2007.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) W. Altenaar.
PR