ECLI:NL:CRVB:2007:BB6207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens onduidelijke woonsituatie en schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving sinds 1992 bijstand als alleenstaande. Na retour ontvangen aangetekende post bleek haar woonsituatie onduidelijk. Uit onderzoek en gesprekken bleek dat zij sinds april 2002 voornamelijk bij haar schoonzus verbleef, zonder sleutel van haar opgegeven adres. Het College trok daarom de bijstand per 1 mei 2002 in wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij onjuiste of onvolledige gegevens had verstrekt over haar hoofdverblijfplaats. Appellante ging hiertegen in hoger beroep, maar de Raad onderschreef de eerdere overwegingen en stelde vast dat de onduidelijkheid over haar woonsituatie niet was opgeheven.
De Raad oordeelde dat het College terecht de bijstand introk op grond van artikel 69 van Pro de Abw en dat er geen sprake was van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook waren er geen dringende redenen om van intrekking af te zien. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstandsuitkering per 1 mei 2002 wordt bevestigd.