ECLI:NL:CRVB:2007:BB6393

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7273 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en vermogenstoerekening

Appellante ontving sinds 1999 algemene bijstand naast haar AOW-pensioen. Naar aanleiding van signalen van de Belastingdienst over twee bankrekeningen op haar naam, startte het College een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Hierbij werd vastgesteld dat op 13 januari 2005 een bedrag van € 20.890 per kas was opgenomen van de Fortisrekening, die kort daarna werd opgeheven.

Het College trok daarop de bijstand per 1 februari 2005 in en wees een nieuwe aanvraag van 7 april 2005 af, omdat appellante geen uitleg gaf over de besteding van het opgenomen bedrag. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of zij toen nog over vermogen beschikte of bijstandsbehoevend was. De voorzieningenrechter bevestigde dit besluit.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad dat het College terecht het opgenomen tegoed als vermogen heeft aangemerkt en dat de weigering van bijstand gerechtvaardigd is vanwege schending van de inlichtingenplicht. Omdat appellante geen informatie verstrekte over de besteding van het geld, kon niet worden vastgesteld of zij recht had op bijstand. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht en het niet kunnen vaststellen van bijstandsbehoevendheid.

Uitspraak

05/7273 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 november 2005, 05/6448 en 05/6845 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 23 oktober 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend, waarop van de zijde van appellante is gereageerd. Desgevraagd heeft het College een nader stuk ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg. nrs. 06/4950 en 06/6244, plaatsgevonden op 7 augustus 2007. Voor appellant is verschenen mr. Timmer. Tevens was aanwezig de dochter van appellante. Het College heeft zich (met bericht) niet laten vertegenwoordigen. Na de gevoegde behandeling zijn de zaken weer gesplist. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontving sedert 11 mei 1999, in aanvulling op haar pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, algemene bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
Naar aanleiding van signalen van de Belastingdienst dat appellante op haar naam twee bankrekeningen met de nummers [rekening nummer 1] (hierna: Fortisrekening) en [rekeningnummer] (een ABN/AMRO-rekening) heeft staan, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is appellante verzocht de bankafschriften van de vorenvermelde rekeningen en de stukken omtrent de opening en de opheffing van deze rekeningen over te leggen. Ook is met appellante een gesprek gevoerd.
Uit de gedingstukken blijkt dat het tegoed op de Fortisrekening op 12 januari 2005 € 20.893,09 bedroeg, dat op 13 januari 2005 per kas een bedrag van € 20.890,-- van die rekening is opgenomen, en dat de Fortisrekening op 14 januari 2005 is opgeheven.
De onderzoeksresultaten hebben het College onder meer aanleiding gegeven om de bijstand van appellante per 1 februari 2005 in te trekken.
Op 7 april 2005 heeft appellante een aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 27 juni 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Het tegen het besluit van 27 juni 2005 gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 19 augustus 2005 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op de grond dat appellante geen opheldering heeft verschaft over de besteding van het op 13 januari 2005 van de Fortisrekening per kas opgenomen bedrag van € 20.890,--, zodat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre zij met ingang van 7 april 2005 in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het tegen het besluit van 19 augustus 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
Met de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College de aanvraag van appellante om bijstand van 7 april 2005 terecht heeft afgewezen op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad verwijst in dit verband naar de overwegingen die zijn opgenomen in zijn uitspraken van heden met reg.nrs. 06/6244 WWB en 06/4950 WWB. Het College heeft het op 13 januari 2005 opgenomen tegoed van de Fortisrekening terecht tot het vermogen van appellante gerekend. Omdat appellante geen informatie heeft verschaft over de besteding van het tegoed, kan niet worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellante op en vanaf 7 april 2005 nog over dit vermogen kon beschikken dan wel of zij toen verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2007.
(get.) C. van Viegen.
(get.) S. van Ommen.
IJ