ECLI:NL:CRVB:2007:BB6395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onduidelijkheid over vermogen
Appellante ontving sinds 1999 algemene bijstand naast haar pensioen. Naar aanleiding van signalen over twee bankrekeningen op haar naam startte het College een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Het tegoed van ruim €20.000 op een Fortisrekening werd in januari 2005 opgenomen en de rekening opgeheven. Het College schortte daarop de bijstand op en legde appellante een contactplicht op, waaraan zij niet voldeed. Vervolgens trok het College de bijstand per 1 februari 2005 in wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten. Het College wijzigde later de grondslag van de intrekking, omdat niet duidelijk was hoe het opgenomen tegoed was besteed, wat essentieel was voor het vaststellen van het recht op bijstand. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken op grond van artikel 54, derde lid, WWB.
De Raad oordeelde dat het College terecht het tegoed als vermogen rekende en dat het ontbreken van informatie over de besteding van het tegoed het onmogelijk maakte om het recht op bijstand vast te stellen. Daarom was de intrekking van de bijstand vanaf 1 februari 2005 terecht. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden vonnis.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 1 februari 2005 wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting en onduidelijkheid over het vermogen.