ECLI:NL:CRVB:2007:BB6994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens procedurele tekortkomingen
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 16 juli 2003. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende had gemotiveerd dat er geen urenbeperking nodig was. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij onzorgvuldig was behandeld omdat zij niet persoonlijk was onderzocht en dat er wel degelijk sprake was van een urenbeperking. Zij overlegde een journaal van de huisarts en een brief van Sociale Zaken ter ondersteuning.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts niet verplicht is tot persoonlijk onderzoek en dat het dossieronderzoek en de opgevraagde informatie voldoende waren. De overgelegde medische stukken zagen niet op de relevante datum en boden onvoldoende inzicht in de belastbaarheid. Wel stelde de Raad vast dat het bestreden besluit was genomen vóór 1 juli 2005 en dat de onderbouwing pas later was gegeven, wat in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand conform artikel 8:72, derde lid, Awb. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.