ECLI:NL:CRVB:2007:BB6994

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6684 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens procedurele tekortkomingen

Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 16 juli 2003. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende had gemotiveerd dat er geen urenbeperking nodig was. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij onzorgvuldig was behandeld omdat zij niet persoonlijk was onderzocht en dat er wel degelijk sprake was van een urenbeperking. Zij overlegde een journaal van de huisarts en een brief van Sociale Zaken ter ondersteuning.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts niet verplicht is tot persoonlijk onderzoek en dat het dossieronderzoek en de opgevraagde informatie voldoende waren. De overgelegde medische stukken zagen niet op de relevante datum en boden onvoldoende inzicht in de belastbaarheid. Wel stelde de Raad vast dat het bestreden besluit was genomen vóór 1 juli 2005 en dat de onderbouwing pas later was gegeven, wat in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand conform artikel 8:72, derde lid, Awb. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante en het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

05/6684 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 oktober 2005, 05/273 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.A.M.H. van der Laan, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Laan. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 27 december 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv,, beslissende op bezwaar, de intrekking van de WAO-uitkering van appellante per 16 juli 2003 gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv bij het vaststellen van de beperkingen van appellante voldoende zorgvuldig te werk is gegaan en serieus rekening heeft gehouden met de klachten van appellante. Raadpleging van de behandelende sector was in dit geval niet vereist. De bezwaarverzekeringsarts heeft afdoende gemotiveerd dat er geen reden is voor een urenbeperking. Met inachtneming van de vastgestelde beperkingen moet appellante in staat worden geacht de geduide functies te verrichten.
In hoger beroep heeft appellante hiertegen aangevoerd dat het onzorgvuldig is dat de bezwaarverzekeringsarts appellante niet heeft onderzocht. Er is wel degelijk reden voor een urenbeperking. Door Sociale Zaken is zij ontheven van de sollicitatieplicht. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een journaal van de huisarts en een brief van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Zeist overgelegd.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Het overgelegde journaal van de huisarts ziet op de periode van oktober 2003 tot en met oktober 2005, terwijl de datum in geding 16 juli 2003 is. Met betrekking tot de overgelegde brief van Sociale Zaken overweegt de Raad dat ook deze niet ziet op de datum in geding en voorts geen inzicht geeft in de redenen waarom appellante voor niet meer dan 16 uur per week belastbaar is. In de rapportage van 28 oktober 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd dat er geen redenen zijn voor een urenbeperking.
De Raad overweegt voorts dat voor een bezwaarverzekeringsarts geen verplichting bestaat om een betrokkene persoonlijk te onderzoeken. In dit geval heeft het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts bestaan uit uitgebreid dossieronderzoek en uitvoerige rapportage omtrent de medische situatie van appellante. Voorts is informatie bij de huisarts opgevraagd. De Raad acht dit voldoende; dat de huisarts niet gereageerd heeft op het verzoek van de bezwaarverzekeringsarts kan, nu er voldoende andere gegevens waren om de belastbaarheid vast te stellen, daar niet aan af doen.
In de geduide functies doen zich geen overschrijdingen voor van de vastgestelde belastbaarheid, zodat appellante in staat moet worden geacht die functies te verrichten.
De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat pas in de hoger beroepsfase de - gelet op zijn uitspraken van 9 november 2004, onder meer LJN AR 4716, en 12 oktober 2006,-LJN AY9971, gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op ’s-Raads standpunt met betrekking tot het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.
Het vorenstaande leidt er toe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Awb, dienen te worden vernietigd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,=.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 140,= vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier uitgesproken in het openbaar op 2 november 2007.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) N.E. Nijdam.
CVG