ECLI:NL:CRVB:2007:BB7013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant had in 2000 een WAO-uitkering toegekend gekregen, die op 26 maart 2004 werd ingetrokken omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. In hoger beroep voerde hij aan dat het UWV onzorgvuldig was geweest, onder meer omdat verzekeringsartsen geen röntgenfoto van zijn rug hadden opgevraagd, en dat zijn specifieke bezwaren tegen bepaalde functies niet waren weerlegd.
De Raad overwoog dat appellant geen nieuwe medische stukken had overgelegd en dat de eerdere rapportages, waaronder die van de orthopedisch chirurg en verzekeringsartsen, voldoende waren. De arbeidsdeskundige had de beperkingen en bezwaren tegen functies adequaat besproken. De Raad vond geen onzorgvuldigheid in de voorbereiding van het besluit.
Hoewel de motivering van het besluit in hoger beroep aan strengere eisen voldeed, vernietigde de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Vergoeding van schade werd afgewezen. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.