ECLI:NL:CRVB:2007:BB7244

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6866 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 WajongArt. 8:75 AwbArt. 11 Wet algemene bepalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat fiscale winst uitgangspunt is bij vaststelling Wajong-inkomen ondanks wijziging belastingwetgeving

In deze zaak stond de vraag centraal of een wijziging in de fiscale wetgeving per 1 januari 2001, die de mogelijkheden voor vermindering van fiscale winst voor ondernemers met een pand in privévermogen beperkte, een bijzondere omstandigheid vormt om af te wijken van de algemene regel dat de fiscale winst als uitgangspunt wordt genomen bij de vaststelling van het inkomen voor de Wajong.

De rechtbank Almelo had geoordeeld dat geen sprake was van een bijzonder geval en dat de fiscale winst als uitgangspunt moet gelden. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad benadrukt dat een wijziging van de fiscale regelgeving op zich geen bijzondere omstandigheid is die afwijking rechtvaardigt.

De gemachtigde van appellante gaf aan dat de keuze voor het pand als privévermogen in het verleden was gemaakt, maar dat de wijziging van de wetgeving nadelig uitpakte. De Raad oordeelt dat dit geen reden is om af te wijken van de fiscale winst als maatstaf. Ook het feit dat de winst mogelijk niet in verhouding stond tot de verrichte arbeid is niet doorslaggevend bij de toepassing van artikel 50 Wajong Pro.

De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af. De fiscale winst van appellante over 2002 en 2003 blijft dus het uitgangspunt voor de inkomensvaststelling in het kader van de Wajong.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de fiscale winst het uitgangspunt is bij de vaststelling van het Wajong-inkomen, ook na wijziging van de belastingwetgeving.

Uitspraak

05/6866 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 oktober 2005, 04/1251 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft drs. C.J. Beersen, belastingadviseur te Hengelo, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2007. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde drs. Beersen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek.
II. OVERWEGINGEN
In dit geding moet de Raad de vraag beantwoorden of de wijziging in de fiscale wetgeving met ingang van 1 januari 2001 met betrekking tot de mogelijkheden voor vermindering van de fiscale winst voor ondernemers, die hun onderneming uitoefenen in een pand behorend tot hun privévermogen, door het Uwv terecht niet is aangemerkt als een bijzondere omstandigheid, waardoor bij de toepassing van de anticumulatieregeling van artikel 50 van Pro de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) kan worden afgeweken van het bedrag van de door appellante tegenover de fiscus verantwoorde winst uit onderneming over de jaren 2002 en 2003.
In de aangevallen uitspraak, waarin appellante "eiseres" en het Uwv "verweerder" wordt genoemd, heeft de rechtbank met betrekking tot deze vraag het volgende overwogen:
"Overwegingen van de rechtbank
Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient de fiscaal verantwoorde en vastgestelde (netto)winst van een zelfstandige, behoudens bijzondere gevallen, te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid in de zin van artikel 50 van Pro de Wajong, tenzij sprake is van een bijzonder geval.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres in 2002 een fiscale winst van EUR 5.892,-- heeft genoten en in 2003 een fiscale winst van EUR 3.952,--.
Met betrekking tot het laatste bedrag heeft de gemachtigde van eiseres desgevraagd ter zitting verklaard dat het juiste bedrag EUR 3.952,--is, en niet EUR 3.916,-- zoals arbeidsdeskundige Boef in zijn rapport van 25 maart 2004 heeft vastgesteld.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat vanwege bijzondere omstandigheden een aftrek van EUR 3.375,-- dient plaats te vinden op de fiscale winst van 2002 en 2003.
De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat bij eiseres geen sprake is van een bijzonder geval omdat de belastingherziening 2001 voor iedereen geldt. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting voorts opgemerkt dat een uitzondering kan worden gemaakt in die gevallen waarbij sprake is van een zeer geringe inbreng van betrokkene maar dat daar in het geval van eiseres geen sprake van is aangezien zelfstandigenaftrek heeft plaatsgevonden.
De rechtbank stelt vast dat bij de inkomensvaststelling van zelfstandigen de fiscale winst uitgangspunt is. Als daarin wijziging komt door veranderingen in de fiscale wetgeving, dan werkt dat ook door in de toepassing van artikel 50 van Pro de Wajong.
Eiseres heeft zich op standpunt gesteld dat de belastingherziening 2001 een bijzondere omstandigheid betreft waardoor voor de toepassing van de Wajong het fiscale winstbegrip niet onverkort mag worden toegepast bij de vaststelling van het inkomen uit arbeid. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Winst is een complex begrip en niet valt in te zien dat de keuze van de wetgever voor wijziging van de belastingwetgeving op het punt van de huurwaarde leidt tot een uitkomst die niet meer als winst is aan te merken. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 2004, LJN AP 8745.
Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een bijzonder geval waardoor zou moeten worden afgeweken van de algemene regel dat de fiscale winst als uitgangspunt wordt genomen bij het vaststellen van het inkomen."
In hoger beroep hebben partijen hun standpunt herhaald.
De aan het begin van deze rubriek gestelde vraag beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad stelt zich achter de daarop betrekking hebbende overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Ter zitting van de Raad heeft appellantes gemachtigde desgevraagd verklaard dat er sprake was van een in het verleden gemaakte keuze om het betrokken pand als privévermogen aan te merken. Dat die keuze door een wijziging van de fiscale wetgeving vanaf 2001 minder gunstig uitpakt dan in het verleden het geval is geweest, is naar het oordeel van de Raad geen bijzondere omstandigheid als hier bedoeld.
Ook kan een bijzondere omstandigheid niet gelegen zijn in de enkele omstandigheid dat de fiscale regelgeving is gewijzigd. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 3 april 2007, LJN: BA2286, heeft overwogen is de wetgever bevoegd bestaande regelgeving te wijzigen en staat het hem daarbij vrij om ter voorkoming van eventuele onbedoelde effecten al dan niet een overgangsregeling te maken. Het is, gelet op artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen, niet aan de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet – in dit geval een wijziging van de belastingwetgeving– te beoordelen.
Ten slotte overweegt de Raad dat appellante in het hier aan de orde zijnde tijdvak arbeid heeft verricht in haar bedrijf. Dat de winst wellicht niet in verhouding heeft gestaan tot de omvang van de verrichte arbeid is bij de toepassing van artikel 50 van Pro de Wajong niet doorslaggevend.
De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 november 2007.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) I.R.A. van Raaij.
JL