ECLI:NL:CRVB:2007:BB7247
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit ondanks betwisting medische beperkingen
Appellante, werkzaam als verkoopster, raakte arbeidsongeschikt door een val in november 2001 en viel opnieuw uit in augustus 2002. Een verzekeringsarts van het UWV onderzocht haar in augustus 2003 en stelde beperkingen vast die werden verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis hiervan concludeerde een arbeidsdeskundige dat appellante ongeschikt was voor haar oorspronkelijke functie maar wel geschikt voor andere functies, waardoor haar arbeidsongeschiktheid op 15-25% werd vastgesteld.
Het UWV kende op grond hiervan een WAO-uitkering toe, maar appellante maakte bezwaar en stelde dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en de geselecteerde functies ongeschikt waren. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. In hoger beroep betoogde appellante dat de medische beperkingen onjuist waren vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief lichamelijk en neurologisch onderzoek, anamnese en dossierbeoordeling. Appellante bracht geen nieuwe medische gegevens in die het oordeel konden wijzigen. De Raad vond de FML en de daarop gebaseerde functiekeuze passend en verwierp het hoger beroep, waarmee het UWV-besluit werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het UWV-besluit tot 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.