ECLI:NL:CRVB:2007:BB7446
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding niet voldoende onderbouwd
Appellante ontving sinds 1982 bijstand, laatstelijk op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok haar uitkering in vanaf 1 november 2002 wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding met [W.]. Na bezwaar en een nader onderzoek werd de uitkering over de periode van 1 april 1999 tot en met 31 oktober 2002 herzien en teruggevorderd.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde dat vanaf 1 oktober 2001 voldoende feiten aanwezig waren om te concluderen dat appellante en [W.] een gezamenlijke huishouding voerden, maar dat voor de periode van 1 april 1999 tot 1 oktober 2001 onvoldoende feitelijke grondslag bestond. De verklaringen van buren waren te vaag en onduidelijk over de duur en aard van het verblijf van [W.] bij appellante.
De Raad vernietigde daarom het besluit van 10 maart 2005 in zijn geheel en bepaalde dat het College een nieuw besluit moet nemen, waarbij ook het verzoek om vergoeding van rechtsbijstandskosten in behandeling moet worden genomen. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijke huishouding vóór 1 oktober 2001.