ECLI:NL:CRVB:2007:BB7582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende aannemelijk gemaakte provisievordering voor overneming WW
Betrokkene was sinds december 2001 in dienst bij Tedab Installatiegroep BV en diende een aanvraag in bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) na het faillissement van zijn werkgever in januari 2004. Hij vorderde overneming van een provisieaanspraak op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW).
De rechtbank Breda oordeelde dat betrokkene met een door hem opgesteld overzicht voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op provisie, en vernietigde het besluit van het UWV dat dit weigerde. De rechtbank vond dat er onvoldoende reden was tot gerede twijfel over de provisieaanspraak en dat nader onderzoek nodig was.
Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat het overzicht slechts aantoonde dat opdrachten waren verworven, maar niet welk resultaat was behaald, en dat de curator had verklaard dat het resultaat over 2003 negatief was. De Centrale Raad van Beroep volgde het UWV en oordeelde dat de vordering van betrokkene niet duidelijk en niet aan gerede twijfel onderhevig was, zoals vereist is voor overneming.
De Raad benadrukte dat het overzicht geen bewijs is van een behaald resultaat conform de provisieregeling en dat het UWV niet verplicht is om verder onderzoek te doen als er geen begin van bewijs is. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het bestreden besluit van het UWV gehandhaafd.
Proceskostenveroordeling werd niet toegewezen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 oktober 2007.
Uitkomst: Betrokkene heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op provisie die voor overneming ingevolge Hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komt; het bestreden besluit wordt gehandhaafd.