ECLI:NL:CRVB:2007:BB7635

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-7210 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding in hoger beroep WWB

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage inzake een WWB-zaak. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift geen gronden bevatte en appellante, ondanks meerdere termijnen, deze gronden niet heeft ingediend.

Appellante deed verzet tegen deze beslissing, stellende dat er redenen waren voor het verzuim. De Raad heeft dit verzet behandeld en vastgesteld dat de gemachtigde van appellante in gebreke bleef de gronden tijdig in te dienen, ondanks herhaalde kansen. De verklaring van de huisarts bood onvoldoende rechtvaardiging voor het verzuim.

De Raad benadrukte dat de gevolgen van het handelen of nalaten van de gemachtigde voor rekening van appellante komen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

06/7210 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 oktober 2006, 05/4270 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 6 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 10 juli 2007 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 10 juli 2007 heeft H.J. van Haastert namens appellante verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 30 oktober 2007. Voor appellante is verschenen Van Haastert. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 10 juli 2007 berust hierop, dat het ingediende beroepschrift niet de gronden bevat waarop het hoger beroep berust, en dat de gemachtigde van appellante, nadat hij de gelegenheid heeft gekregen dit verzuim te herstellen, niet binnen de door de griffier van de Raad gestelde termijn de gronden heeft ingediend; van redenen die een verontschuldiging zouden kunnen vormen voor dit verzuim is niet gebleken.
In dit geding is de vraag of het hoger beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
Uit de gedingstukken blijkt dat de gemachtigde van appellante in gebreke is gebleven de gronden in te dienen waarop het hoger beroep berust. Dit ondanks het feit dat hem meerdere malen een nadere termijn is gegund om het verzuim te herstellen.
Voorts merkt de Raad op dat hij ook in hetgeen in het verzetschrift en ter zitting is aangevoerd geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellante het verzuim niet kan worden aangerekend. De Raad merkt op dat de overgelegde verklaring van de huisarts onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat de gemachtigde van appellante ten tijde hier van belang buiten staat was om de gronden van het hoger beroep in te dienen. De Raad overweegt in dit verband voorts nog dat de gevolgen van (processueel) handelen of van nalatigheid van de gemachtigde volledig voor rekening komen van degene die de behartiging van zijn belangen aan die gemachtigde heeft toevertrouwd.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 november 2007.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.