ECLI:NL:CRVB:2007:BB7931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H.G. Rottier
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WAO-uitkering wegens overschrijding redelijke termijn en toekenning immateriële schadevergoeding
Appellante, sinds 1987 werkzaam als schoonmaakster, viel in juli 1998 wegens ziekte uit en vroeg in september 1999 een WAO-uitkering aan. Na aanvankelijke voorschotten werd haar uitkering per 14 juli 1999 geweigerd, waarna het UWV in 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid vaststelde op 25-35%. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende onderbouwing van de functie van voedingsassistente en beval een nieuw besluit.
Het UWV nam in februari 2005 een nieuw besluit waarin het de belastbaarheid nader onderbouwde en de uitkering handhaafde. Appellante stelde dat haar belastbaarheid onjuist was vastgesteld en dat zij de geduide functies niet kon vervullen. Tevens vorderde zij een schadevergoeding wegens de lange duur van de procedure, in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
De Raad oordeelde dat het beroep tegen het besluit van 7 februari 2005 gegrond is en dat het UWV de belastbaarheid zorgvuldig heeft vastgesteld. De functie van voedingsassistente werd als passend beoordeeld. Wel werd vastgesteld dat de totale procedure ongeveer zeven jaar duurde, wat een overschrijding van de redelijke termijn inhoudt. De Raad kende daarom een immateriële schadevergoeding van €500 toe en veroordeelde het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van 7 februari 2005 wordt vernietigd wegens overschrijding redelijke termijn en appellante krijgt een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend.