ECLI:NL:CRVB:2007:BB8060
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- J.F. Bandringa
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit voortzetting WAO-uitkering wegens onvoldoende onderzoek naar arbeidsongeschiktheid
Appellant, een voormalig lasser, ontvangt sinds 7 mei 1996 een WAO-uitkering die vanaf 11 augustus 1999 is vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. In het kader van een vijfdejaarsherbeoordeling is appellant op 12 augustus 2003 medisch onderzocht, waarbij de verzekeringsarts concludeerde dat de beperkingen onveranderd waren. De arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant met deze beperkingen diverse functies kon vervullen, wat leidde tot een arbeidsongeschiktheid van 29,78%.
Het UWV besloot op 11 december 2003 de uitkering ongewijzigd voort te zetten vanaf 7 mei 2001. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit op bezwaar van 10 november 2004 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelt appellant dat het UWV onjuiste medische beperkingen heeft gehanteerd en dat hij de geselecteerde functies niet kan vervullen.
De Raad oordeelt dat het UWV het besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid omdat het medisch en arbeidskundig onderzoek zich uitsluitend op de situatie in 2003 richtte en niet op de relevante datum van 7 mei 2001. Hierdoor is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vernietigt het besluit en beveelt het UWV een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot voortzetting van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek en het UWV moet een nieuw besluit nemen.