ECLI:NL:CRVB:2007:BB8078
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- B.M. van Dun
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar herziening uitkering en vernietiging terugvorderingsbesluit
Betrokkene ontving van 1 mei 1995 tot 1 november 1999 een werkloosheids- en aanvullende uitkering. Naar aanleiding van gegevens van de Belastingdienst herzag de minister op 2 juli 2004 de uitkering over 1998 en 1999, waarbij de werkzaamheden werden gesteld op 23 uur en 33 minuten per week. Tevens werd een bedrag van € 9.037,63 teruggevorderd als teveel betaalde uitkering.
Betrokkene maakte bij brief van 26 oktober 2004 bezwaar tegen de terugvordering en de herziening, maar dit bezwaar werd niet tijdig ingediend. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het bezwaar tegen de herziening niet-ontvankelijk en oordeelde dat de minister het teruggevorderde bedrag niet had gespecificeerd en geen belangenafweging had gemaakt.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de herziening vanwege overschrijding van de termijn van zes weken. Ten aanzien van de terugvordering stelde de Raad ambtshalve vast dat het bezwaar ook niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard omdat er geen tijdig bezwaar was gemaakt tegen het besluit van 2 juli 2004. De Raad vernietigde het besluit over de terugvordering en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Bezwaar tegen herziening uitkering niet-ontvankelijk verklaard en bezwaar tegen terugvordering niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.