ECLI:NL:CRVB:2007:BB8239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- E. Dijt
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Weigering WAZ-uitkering wegens juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en geschiktheid passend werk
De zaak betreft het hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tegen een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden die de weigering van een WAZ-uitkering aan betrokkene vernietigde. De rechtbank oordeelde dat de belastbaarheid van betrokkene ten aanzien van bovenhands werken niet correct was vastgesteld en dat er geen voldoende omschrijving van zijn voormalige functie was gegeven.
De Raad constateert dat de uitspraak van de rechtbank te vroeg is verzonden, waardoor deze vernietigd moet worden. De Raad neemt de zaak zelf in behandeling en stelt vast dat 1 januari 1996 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is. De beoordeling van de uitkeringsrechten moet plaatsvinden op basis van de destijds geldende Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
De kern van het geschil betreft de juiste vaststelling van de arbeidsbeperkingen, met name het werken boven schouderhoogte. De Raad volgt de beoordeling van de bezwaararbeidsdeskundige Zwemer en concludeert dat betrokkene wel degelijk in staat is om werkzaamheden uit te voeren waarbij bovenhands gewerkt moet worden. Hoewel een volledige omschrijving van de werkzaamheden als producer/geluidstechnicus ontbreekt, acht de Raad de vaststelling van passende functies zonder bovenhands werk voldoende.
De Raad oordeelt dat het besluit van 6 september 2004 om de WAZ-uitkering te weigeren terecht is gehandhaafd. De vraag of betrokkene voldoet aan de entree-eis blijft daarmee onbesproken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot weigering van de WAZ-uitkering wordt ongegrond verklaard.