ECLI:NL:CRVB:2007:BB8331

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-397 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag erkenning als vervolgingsslachtoffer in voormalig Nederlands-Indië

Appellante, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in maart 2006 om erkenning als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat zij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was geweest en ondergedoken had gezeten om vrijheidsberoving te ontkomen.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat appellante daadwerkelijk vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. De Raad stelde vast dat er geen bevestiging was van internering en dat er geen aanwijzingen waren voor onderduik met dreigend gevaar voor vrijheidsberoving.

Appellante betoogde dat zij gelijkgesteld had moeten worden met een vervolgingsslachtoffer, maar de Raad oordeelde dat het bestreden besluit daarover niet handelde en dat vernietiging van het besluit niet aan de orde was. Ook werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot erkenning als vervolgingsslachtoffer wordt gehandhaafd.

Uitspraak

07/397 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante],
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 8 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening
21 december 2006, nr JZ/T60/2006, ten aanzien van haar gegeven besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2007, gevoegd met het geding ten name van appellante bekend onder nummer 07/398 WUBO en de gedingen ten name van [betrokkene], bekend onder nummers 07/365 WUV en 07/911 WUBO. Ter zitting is appellante, zoals bericht, niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. In dat verband heeft appellante aangevoerd dat zij tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië geïnterneerd is geweest in een woning in een voorstad van Batavia en in de woning van mevrouw [naam mevrouw] en voorts dat zij met haar moeder en zusters ondergedoken is geweest.
2. Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 22 augustus 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. In artikel 2 van Pro de Wet wordt, voorzover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing, dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, en hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen, dan wel tot onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.
3.2. Op grond van de beschikbare gegevens moet de Raad met verweerster vaststellen dat niet blijkt dat appellante tijdens de Japanse bezetting vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat, zoals ook verwoord onder 3.4. in zijn uitspraak van heden betreffende het geding van appellante bekend onder nummer 07/398 WUBO, niet op enigerlei wijze bevestiging is verkregen van de door appellante gestelde internering. Voorts is in de weergave van appellante van haar ervaringen gedurende de Japanse bezetting geen aanknopingspunt te vinden voor het oordeel dat er sprake is geweest van onderduik, nu van enig gevaar voor dreigende vrijheidsberoving niet is gebleken en, zoals ook aangegeven in voornoemde uitspraak onder 3.6, niet is gebleken dat appellante zich volledig aan het openbare leven heeft onttrokken.
3.3. Voorzover appellante in beroep heeft aangegeven dat verweerster op zijn minst aanleiding had moeten vinden appellante met de vervolgde gelijk te stellen, stelt de Raad vast dat het bestreden besluit daarover niet handelt en ook niet behoefde te handelen.
4. Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
5. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 november 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.J.H. van Baalen.
HD