ECLI:NL:CRVB:2007:BB8346

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1650 ABP
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75 AwbArt. 1:1 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen uitspraak op verzet inzake besluit Stichting Pensioenfonds ABP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht die het beroep op een besluit van de Stichting Pensioenfonds ABP ongegrond verklaarde. De Raad moest beoordelen of hoger beroep tegen deze uitspraak mogelijk is.

De rechtbank had zich onbevoegd verklaard omdat het besluit niet van een bestuursorgaan afkomstig is en daarom niet onder de Algemene wet bestuursrecht valt. De Raad bevestigt dit en wijst het hoger beroep af op grond van het appelverbod zoals bepaald in artikel 18, tweede lid, onder c, van de Beroepswet.

Appellante voerde aan dat het besluit wel een bestuursbesluit was en dat de procesorde en fundamentele rechtsbeginselen waren geschonden, maar de Raad oordeelt dat deze gronden onvoldoende zijn om het appelverbod te doorbreken. De Stichting Pensioenfonds ABP wordt niet aangemerkt als bestuursorgaan en de interne procedure is geen bezwaarprocedure in de zin van de Awb.

De Raad verklaart zich daarom onbevoegd en wijst het hoger beroep af, zonder aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd en wijst het hoger beroep af wegens appelverbod.

Uitspraak

07/1650 ABP
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 februari 2007, nr. 06/1201 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellante
en
de Directieraad van de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: directieraad)
Datum uitspraak: 8 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De directieraad heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2007. Namens appellante is verschenen I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand. De directieraad heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C.M. Satijn, werkzaam bij het UWV.
II. OVERWEGINGEN
Bij uitspraak van 27 juli 2006 heeft de rechtbank zich met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onbevoegd verklaard ten aanzien van het beroep van appellante tegen een door de directieraad genomen besluit van 4 april 2006.
Het tegen die uitspraak ingediende verzet is bij de aangevallen uitspraak met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb, ongegrond verklaard.
De Raad dient in het onderhavige geding primair de vraag te beantwoorden of tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld en overweegt daaromtrent als volgt.
In artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet is bepaald dat tegen een uitspraak van een rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Namens appellante is aangevoerd dat het hiervoor genoemde appelverbod buiten toepassing dient te blijven omdat is gehandeld in strijd met de eisen van een goede procesorde, dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waar-borgen. Aangevoerd is dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft geacht, nu de bestuursrechter wel bevoegd was van het geschil kennis te nemen. Hiertoe is betoogd dat het bestreden besluit is genomen naar aanleiding van een bezwaarschrift in de zin van de Awb, dat daarmee wel sprake is van een besluit in de zin van de Awb en dat appellante niet is gehoord naar aanleiding van haar bezwaarschrift. De rechtbank zou niet zijn ingegaan op fundamentele gronden van het beroep. Ter zitting is voorts nog betoogd dat de Stichting Pensioenfonds ABP bekleed is met openbaar gezag in de zin van artikel 1:1, onder b, van de Awb.
De Raad ziet in hetgeen namens appellante naar voeren is gebracht geen grond voor het oordeel dat sprake is geweest van een evidente schending door de rechtbank van de eisen van een goede procesorde, dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk en onafhankelijk proces waarborgen, op grond waarvan volgens vaste jurisprudentie doorbreking van het appèlverbod gerechtvaardigd is. De Raad kan de gemachtigde van appellante niet volgen in het standpunt dat sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, nu de directieraad niet kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan, noch met openbaar gezag is bekleed in de zin van artikel 1:1 van Pro de Awb. Er is ook geen sprake van een bezwaarprocedure in de zin van de Awb, maar van een interne procedure bij een (reeds sinds 1 januari 1996 bestaande) rechtspersoon naar burgerlijk recht. Dat appellante in bezwaar niet is gehoord kan, gezien het vorenstaande, in dit geding niet aan de orde komen.
Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 november 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.J.H. van Baalen.
HD
30.1