ECLI:NL:CRVB:2007:BB8457
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de daaropvolgende Bersiap-periode. Zij baseerde haar aanvraag op onder meer internering, getuige zijn van mishandeling, onderduiken, en het meemaken van beschietingen.
De Raad overwoog dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair vereist dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld zoals omschreven in artikel 2 van Pro de Wet. Algemene oorlogsomstandigheden, waaraan velen zijn blootgesteld, volstaan niet. De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij direct betrokken was bij oorlogsgeweld. Zo ontbrak bevestiging van internering en mishandeling, en was er geen bewijs van concrete handelingen van de bezettende macht voorafgaand aan onderduiken of beschietingen.
De Raad benadrukte dat hoewel appellante angstige oorlogsomstandigheden heeft ervaren, de Wet strikte criteria stelt voor erkenning. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.