ECLI:NL:CRVB:2007:BB8522
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks betwisting medische beoordeling
Appellant, werkzaam als straler/spuiter, meldde zich in 1993 ziek vanwege longklachten en later psychische klachten. Na diverse herbeoordelingen stelde het UWV zijn WAO-uitkering vast op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig was verricht en dat zijn beperkingen, waaronder een aangeboren rugafwijking en vermoeidheidsklachten, onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan dat de medische beoordeling onjuist was en dat onder meer rapporten van Instituut Psychosofia onvoldoende werden meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts de medische situatie en dagelijkse activiteiten van appellant uitvoerig had onderzocht. De Raad achtte de vaststelling van de Functionele Mogelijkhedenlijst en de arbeidsdeskundige beoordeling juist en vond geen reden om de beperkingen te herzien.
De Raad stelde vast dat de aangeboren rugafwijking geen wezenlijke invloed had op de vastgestelde beperkingen en dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellant vielen. Ook achtte de Raad het onderscheid tussen het dragen van een kapje en een mondmasker duidelijk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid en verklaart het hoger beroep ongegrond.