ECLI:NL:CRVB:2001:AD9645
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen om haar WAO-uitkering, oorspronkelijk gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 15 september 1998 te herzien naar 35 tot 45%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde de herziening. Appellante stelde in hoger beroep dat de medische beoordeling niet zorgvuldig was en dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld, mede op basis van een rapport van een niet-medicus.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de klacht over de zorgvuldigheid van de medische beoordeling betrekking had op de procesvoering in eerste aanleg en niet op het besluit zelf. De Raad achtte de beoordeling van de verzekeringsarts Lentjes, die de beperkingen en belastbaarheid van appellante vaststelde, voldoende onderbouwd en niet onderschat.
Het rapport van mevrouw Verhage, een niet-medicus die een spirituele onderzoeksmethode hanteerde, werd door de Raad niet als relevant erkend voor de medische beoordeling in het kader van de WAO. De Raad concludeerde dat appellante in staat was de haar voorgehouden functies te vervullen en dat het verlies aan verdiencapaciteit van ongeveer 40% de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% rechtvaardigde.
Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45% wordt bevestigd.