ECLI:NL:CRVB:2007:BB8969

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4694 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 WWBArt. 65 AbwArt. 69, derde lid, aanhef en onder a, Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekkingsbesluit bijstandsuitkering wegens onjuiste wettelijke grondslag

Appellant ontving bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) van 1 augustus 2002 tot 9 december 2003. Later bleek dat appellant niet had gemeld dat hij over meerdere bankrekeningen beschikte, wat een schending van zijn inlichtingenverplichting vormde. Het College van burgemeester en wethouders van Alkmaar trok daarom de bijstand in en verklaarde het bezwaar ongegrond.

De rechtbank bevestigde dit besluit, maar de Centrale Raad van Beroep constateerde dat het College ten onrechte de Abw als wettelijke grondslag had gebruikt, terwijl de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf 1 januari 2004 van toepassing was. Hierdoor ontbrak een juiste wettelijke basis voor het besluit op bezwaar, wat tot vernietiging leidde.

De Raad oordeelde dat de schending van de inlichtingenverplichting van appellant wel terecht was vastgesteld en dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken op grond van artikel 54 WWB Pro. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit bleven in stand. Tevens werd het College veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit op bezwaar wordt vernietigd wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/4694 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 18 juli 2006, 05/858 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar (hierna: College)
Datum uitspraak: 23 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft M. de Jong, medewerkster van Vluchtelingenwerk Alkmaar, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2007. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Blom, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving gedurende de periode van 1 augustus 2002 tot en met 9 december 2003 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Voor de aanvang van de verlening van de bijstand heeft appellant aan de sociale dienst opgegeven over één bankrekening te beschikken. Uit een signaal van het landelijk inlichtingenbureau is naar voren gekomen dat appellant daarnaast in het jaar 2002 beschikte over een viertal andere bankrekeningen. Bij brief van het Bureau Onderzoek en Preventie van de gemeente Alkmaar (BOP) van 13 mei 2004 is aan appellant meegedeeld dat deze vier bankrekeningen destijds bij de sociale dienst niet bekend waren. Bij die brief is appellant tevens verzocht inlichtingen te verstrekken over deze bankrekeningen, de daarop voorkomende saldi en de (eventueel) ontvangen rente. Bij brieven van 2 juni 2004 en 27 september 2004 is dat verzoek herhaald.
Bij besluit van 12 oktober 2004 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 1 augustus 2002 tot 9 december 2003 ingetrokken. Bij besluit van 10 maart 2005 heeft het College het tegen het besluit van 12 oktober 2004 ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet de gegevens heeft verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van zijn recht op bijstand.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 10 maart 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het primaire besluit en het besluit op bezwaar dateren van na 1 januari 2004. Volgens vaste rechtspraak ontleent het College van burgemeester en wethouders vanaf die datum aan artikel 54 van Pro de WWB zijn bevoegdheid om tot intrekking van bijstand over te gaan. Het besluit op bezwaar van 10 maart 2005 is evenwel uitdrukkelijk gebaseerd op artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Dat besluit ontbeert derhalve een juiste wettelijke grondslag. Uit de brief van het College van 25 september 2007 aan de Raad blijkt dat het College die mening bij nader inzien ook is toegedaan. In aanmerking genomen dat, anders dan artikel 69 van Pro de Abw, artikel 54 van Pro de WWB voorziet in een discretionaire bevoegdheid van het College, dient dit gebrek te leiden tot vernietiging van het besluit van 10 maart 2005. Aangezien de rechtbank - door nog uit te gaan van een verplichting van het College om tot intrekking over te gaan - het voorgaande niet heeft onderkend, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 10 maart 2005 vernietigen wegens strijd met de wet.
De vervolgens aan de orde zijnde vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten, beantwoordt de Raad op grond van de volgende overwegingen bevestigend. Daarbij stelt de Raad voorop dat de rechten en verplichtingen van appellant over de hier relevante periode dienen te worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die in die periode van kracht was.
De Raad is met het College van oordeel dat gegevens over op naam van een bijstandsgerechtigde staande bankrekeningen behoren tot de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van (de omvang van) diens recht op bijstand. Het moet appellant redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat hij van die bankrekeningen, van de daarop voorkomende saldi en de (eventueel) daarover ontvangen rente, mededeling moest doen aan het College. Op grond van de gedingstukken staat vast dat appellant tijdens de in geding zijnde periode aan de sociale dienst geen mededeling heeft gedaan van alle op zijn naam staande bankrekeningen. Daarmee heeft appellant gehandeld in strijd met de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting. Appellant heeft vervolgens niet voldaan aan de verzoeken van het BOP om de noodzakelijk gegevens betreffende zijn bankrekeningen alsnog over te leggen. De gevraagde gegevens zijn ook in bezwaar niet overgelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om de verlangde gegevens bijeen te brengen en voorts dat in het gegeven dat appellant daarvoor kosten moest maken onvoldoende rechtvaardiging kan worden gevonden om overlegging van deze gegevens achterwege te laten. Ten slotte stelt de Raad in dit verband vast dat de benodigde gegevens over de bankrekeningen ook in beroep en in hoger beroep niet in het geding zijn gebracht.
Als gevolg van de schending door appellant van zijn inlichtingenverplichting kan niet worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellant tijdens de in geding zijnde periode verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden. Deze schending heeft dan ook met zich gebracht dat aan appellant over deze periode ten onrechte bijstand is verleend. Dat brengt mee dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellant over de periode van 1 augustus 2002 tot
9 december 2003 in te trekken.
In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd - daarbij gaat het in wezen slechts om de gevolgen van de in hoger beroep niet aan de orde zijnde terugvordering van de kosten van bijstand over de in geding zijnde periode - ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid van deze bevoegdheid geen gebruik heeft kunnen maken.
De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 21,20 in hoger beroep wegens gemaakte reiskosten. Van kosten van rechtsbijstand die voor vergoeding in aanmerking komen is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 10 maart 2005;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 21,20, te betalen door de gemeente Alkmaar;
Bepaalt dat de gemeente Alkmaar aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2007.
(get.) C. van Viegen.
(get.) L.M. Reijnierse.
IJ