ECLI:NL:CRVB:2007:BB9059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Verjaring en stuiting van terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering
Appellant ontving sinds 1981 een WAO-uitkering die later werd ingetrokken vanwege inkomsten als directeur-grootaandeelhouder. Het UWV vorderde onverschuldigd betaalde uitkeringen terug over de periode 1988-1992. De rechtbank vernietigde het terugvorderingsbesluit van 29 april 1997 deels omdat het geen betalingstermijn bevatte. Het UWV kondigde in januari 2000 een financieel onderzoek aan, maar nam pas in februari 2004 een invorderingsbesluit.
Appellant stelde dat het recht tot terugvordering was verjaard omdat het UWV het invorderingsbesluit niet binnen vijf jaar na de uitspraak van de rechtbank nam en de brief van januari 2000 geen stuitingshandeling was. De Raad oordeelde dat het recht tot invordering inderdaad was verjaard omdat de brief onvoldoende duidelijkheid bood om als stuitingshandeling te gelden. Het besluit van december 2003 was wel een stuitingshandeling, maar werd te laat genomen om de verjaring te doorbreken.
De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het het invorderingsbesluit van februari 2004 handhaafde en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht was tegen het besluit van december 2003. Tevens veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het recht tot terugvordering van de onverschuldigde WAO-uitkering is verjaard en het UWV was niet bevoegd het invorderingsbesluit van 26 februari 2004 te nemen.