ECLI:NL:CRVB:2007:BB9164

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-7268 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering

Appellante verzocht om een WAO-uitkering, welke door het UWV werd geweigerd omdat zij bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt zou zijn geweest. Na bezwaar en een bestreden besluit bleef het UWV bij de weigering, stellende dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt was op basis van functieduiding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellante dat haar belastbaarheid onjuist was vastgesteld en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten en ziektebeeld. Tevens stelde zij dat het lange tijd ontvangen van voorschotten haar het recht op een uitkering deed aannemen. De Raad oordeelde dat het UWV aanvankelijk niet voldeed aan de motiveringseisen, maar dit in hoger beroep alsnog deed door nadere arbeidskundige stukken in te dienen.

De medische situatie van appellante was nagenoeg onveranderd en de Functionele Mogelijkheden Lijst van mei 2002 was adequaat toegepast. De arbeidskundige beoordeling toonde aan dat de geselecteerde functies geschikt waren en de belastbaarheid niet werden overschreden. De Raad vernietigde het bestreden besluit vanwege de aanvankelijke onvoldoende motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierechten.

Uitkomst: Het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, met instandhouding van de rechtsgevolgen.

Uitspraak

04/7268 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 december 2004, 03/2464 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F.M. Heltzel, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door
L. den Hartog.
Het is de Raad gebleken dat het vooronderzoek niet volledig is geweest, reden waarom de Raad het onderzoek heropend heeft teneinde het Uwv gelegenheid te bieden nadere arbeidskundige stukken in te dienen. Die stukken zijn bij schrijven van 8 mei 2007 ingediend.
Beide partijen hebben er vervolgens mee ingestemd dat de Raad zonder nadere zitting uitspraak doet.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 4 juni 2001 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering om de reden dat appellante reeds bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt was.
Bij beslissing op bezwaar van 9 oktober 2003 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 4 juni 2001 gegrond verklaard, maar is appellante wederom een WAO-uitkering geweigerd. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante wel arbeidsgeschikt was bij aanvang van de verzekering, dat zij ongeschikt is voor haar eigen werk als assistente woonbegeleiding maar dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid op basis van functieduiding minder dan 15% bedraagt.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld. Zij is meer beperkt dan is aangenomen. Er is in onvoldoende mate ingegaan op het ziektebeeld en de klachten van appellante. In de relevante periode is de werkelijke belastbaarheid van appellante niet onderzocht.
Tevens heeft appellante te lang op de beslissing moeten wachten zodat zij er van uit mocht gaan dat zij recht had op de aan haar verleende voorschotten.
In geding is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per
16 mei 2001 juist heeft vastgesteld.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen redenen zijn om het verzekeringsgeneeskundige onderzoek en de uitkomst daarvan onzorgvuldig of onjuist te achten. Als uitgangspunt voor deze schatting is genomen de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 mei 2002, die opgesteld is in het kader van een WAJONG-beoordeling. In hun rapportages hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen genoegzaam gemotiveerd waarom die FML ook bij de thans in geding zijnde WAO-beoordeling gehanteerd kan worden. De medische situatie van appellante is nagenoeg onveranderd gebleven en met haar klachten en beperkingen is in voldoende mate rekening gehouden in de FML van 17 mei 2002. Appellante heeft geen (medische) informatie overgelegd waaruit blijkt dat haar belastbaarheid op 16 mei 2001 anders was. De stelling van appellante dat zij niet is onderzocht, strijdt met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 16 september 2003, aangezien daarin is vermeld dat appellante op 12 september 2003 is onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts. De Raad heeft geen reden om deze rapportage op dit punt voor onjuist te houden.
Met betrekking tot de arbeidskundige component van de schatting overweegt de Raad dat met het schrijven van het Uwv van 27 april 2005, waarbij een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 april 2005 aan de Raad is gezonden, het Uwv genoegzaam heeft aangetoond waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies op de in geding zijnde datum als geschikt voor appellante zijn aan te merken. In die rapportage is geconcludeerd dat de belasting van de functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt en de Raad kan zich in die conclusie vinden.
Bij schrijven van 8 mei 2007 heeft het Uwv aangetoond dat de geselecteerde functies op de in geding zijnde datum actueel waren.
De Raad is dan ook van oordeel dat de arbeidskundige component van de schatting evenzeer in rechte stand kan houden. Echter, nu het Uwv eerst in hoger beroep heeft voldaan aan de door de Raad geformuleerde eisen ten aanzien van de motivering van (bestreden) besluiten worden de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.
De grief van appellante dat zij zó lang voorschotten heeft gekregen dat ze er van uit kon gaan dat dat hetgeen was waar zij recht op had, kan niet slagen. Het gedurende langere tijd verlenen van voorschotten zegt op zichzelf niets over het recht op een uitkering.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van
€ 1.288,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 31,- in beroep en € 102,- in hoger beroep, totaal € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en
I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
JL