ECLI:NL:CRVB:2007:BB9178
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij WAO-uitkering
Appellant ontving een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Het UWV besloot deze uitkering per 9 juni 2003 ongewijzigd voort te zetten, maar bij een later besluit van 17 juni 2005 werd de uitkering herzien en verlaagd naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in tegen het bestreden besluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Appellant voerde aan dat zijn slechte gezondheidstoestand hem verhinderde tijdig beroep in te stellen. Hij overlegde medische verklaringen van een professor en zijn huisarts ter onderbouwing. De Raad stelde echter vast dat deze medische stukken onvoldoende objectief bewijs bevatten om de termijnoverschrijding te verontschuldigen. De huisartsbrieven waren door appellant zelf geredigeerd en de bezwaarverzekeringsarts van het UWV betwistte de medische onderbouwing, verwijzend naar een inspanningsonderzoek dat een normale inspanningscapaciteit aantoonde.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij binnen de beroepstermijn niet in staat was zijn belangen te behartigen. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.