ECLI:NL:CRVB:2007:BB9185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar WAO-uitkering, waarbij het UWV haar arbeidsongeschiktheid had vastgesteld op 15-25% in plaats van 80% of meer. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering van de functies die aan de schatting ten grondslag lagen, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij zwaarder beperkt was dan aangenomen, mede op basis van medische brieven van een neuroloog. De Raad oordeelde echter dat de medische beperkingen zoals vastgesteld door het UWV en vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) juist waren en dat de aanvullende medische stukken deze beoordeling niet veranderden.
Daarnaast stelde appellante dat artikel 39a van de WAO van toepassing was, maar de Raad bevestigde dat de op 1 augustus 2004 ontstane arbeidsongeschiktheid verband hield met galstenen en niet met dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere uitkering. De Raad vond dat het UWV voldoende functies had voorgehouden binnen de belastbaarheid van appellante en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij geen proceskosten werden toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.