ECLI:NL:CRVB:2007:BB9185

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5588 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39a WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing

Appellante maakte bezwaar tegen de herziening van haar WAO-uitkering, waarbij het UWV haar arbeidsongeschiktheid had vastgesteld op 15-25% in plaats van 80% of meer. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege onvoldoende motivering van de functies die aan de schatting ten grondslag lagen, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij zwaarder beperkt was dan aangenomen, mede op basis van medische brieven van een neuroloog. De Raad oordeelde echter dat de medische beperkingen zoals vastgesteld door het UWV en vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) juist waren en dat de aanvullende medische stukken deze beoordeling niet veranderden.

Daarnaast stelde appellante dat artikel 39a van de WAO van toepassing was, maar de Raad bevestigde dat de op 1 augustus 2004 ontstane arbeidsongeschiktheid verband hield met galstenen en niet met dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere uitkering. De Raad vond dat het UWV voldoende functies had voorgehouden binnen de belastbaarheid van appellante en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij geen proceskosten werden toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

05/5588 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem van 5 augustus 2005, 05/1103 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door
mr. M.H.A.H. Smithuysen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 4 juni 2004 heeft het Uwv de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, met ingang van 15 juni 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 november 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven beperkingen van appellante voor onjuist te houden. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het beroep op artikel 39a van de WAO faalt omdat niet aangetoond is dat de op 1 augustus 2004 ontstane arbeids-ongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten. Met betrekking tot de aan de schatting ten grondslag gelegde functies was de rechtbank evenwel van oordeel dat het Uwv niet heeft voldaan aan de door de Raad geformuleerde eisen ten aanzien van de motivering. De rechtbank heeft geconcludeerd dat met de rapportage van 26 mei 2005 van de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes de schatting in beroep alsnog is voorzien van een deugdelijke toelichting. Omdat deze motivering eerst in beroep is ingebracht, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld het griffierecht en de proceskosten (tot een bedrag van € 322,-) aan appellante te vergoeden.
Het hoger beroep richt zich tegen de instandlating van de rechtsgevolgen. Appellante heeft aangevoerd dat zij op en na de in geding zijnde datum van 15 juni 2004 forser beperkt was dan door de (bezwaar)verzekeringsarts is aangenomen. Er is geen rekening gehouden met het feit dat ze in verband met haar lichamelijke klachten is doorverwezen naar een fysiotherapeut en een neuroloog. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op de brieven van de neuroloog van 1 juni 2005 en 23 juni 2005 waarin staat dat uit een EMG is gebleken dat appellante zowel links als rechts aanwijzingen kent voor een carpaal tunnel syndroom. Tevens heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat artikel 39a van de WAO niet van toepassing is, aldus appellante.
De Raad oordeelt als volgt.
Anders dan appellante, en met de rechtbank, is de Raad van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond bestaat voor twijfel aan de door het Uwv in acht genomen medische beperkingen van appellante. Appellante is lichamelijk onderzocht, er is medische informatie opgevraagd en in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is met de beperkingen van appellante rekening gehouden. De door appellante ingebrachte medische informatie, waaronder de brieven van de neuroloog, maakt dat oordeel niet anders. Uit die stukken blijkt niet dat appellante op de datum in geding meer of anders beperkt is dan is opgenomen in de FML. In dit verband verwijst de Raad naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 12 juli 2005. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat artikel 39a van de WAO niet van toepassing is. De ziekenhuisopname van appellante op 1 augustus 2004 hield verband met galstenen en de daardoor ontstane arbeids-ongeschiktheid komt niet voort uit dezelfde ziekteoorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan appellante uitkering genoot.
De Raad is voorts van oordeel dat het Uwv aan appellante voldoende functies heeft voorgehouden die vallen binnen de belastbaarheid van appellante. Mede met de in beroep ingebrachte rapportage van de arbeidsdeskundige van Neefjes heeft het Uwv in voldoende mate gemotiveerd waarom appellante in staat moet worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van machinaal metaalbewerker, productiemedewerker industrie en inpakker te verrichten.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
MH