ECLI:NL:CRVB:2007:BB9187

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5665 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling juistheid vastgestelde beperkingen bij WAO-uitkering

Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen ten onrechte waren onderschat, met name vanwege een complexe psychosomatische problematiek. Zij overlegde brieven van haar huisarts en psychiater ter onderbouwing.

De Raad oordeelde dat de medische beoordeling, waaronder een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), adequaat was opgesteld door artsen die de fysieke en psychische toestand van appellante hadden onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts onderschreef deze beoordeling en zag geen aanleiding voor een urenbeperking.

De Raad vond geen reden om een onafhankelijke deskundige in te schakelen en achtte de arbeidskundige motivering van het besluit voldoende. De door appellante aangevoerde psychosomatische klachten waren niet aannemelijk op de datum van het besluit, mede omdat de behandeling door een psychiater pas jaren later begon.

De Raad bevestigde het besluit van het UWV om de WAO-uitkering in te trekken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. Het hoger beroep faalde en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

05/5665 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juli 2005, 04/5585 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.G. Burgers, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Burgers. Als tolk was aanwezig M. Melehi. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuijsen.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 19 oktober 2004 (bestreden besluit), waarbij het Uwv – beslissend op bezwaar – zijn besluit van
27 februari 2004 heeft gehandhaafd. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Uwv de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 26 april 2004 ingetrokken onder overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
De rechtbank heeft – kort samengevat – geen aanleiding gezien te twijfelen aan de vaststelling van de belastbaarheid van appellante. Omdat het Uwv eerst in beroep een volledige en voldoende toelichting heeft gegeven omtrent de geschiktheid van de geduide functies heeft de rechtbank conform de vaste jurisprudentie van de Raad hieromtrent het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar beperkingen zijn onderschat. Volgens appellante is voorbij gegaan aan de complexe psychosomatische problematiek waarmee zij te maken heeft. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante brieven overgelegd van haar huisarts M.J. Hamaker d.d. 5 oktober 2007 en van de haar behandelende psychiater J.K. van der Veer van 9 oktober 2007 (met bijlage).
De Raad oordeelt als volgt.
De arts A.K. van Barneveld heeft na lichamelijk onderzoek en een (globale) beoordeling van de psychische toestand van appellante de voor haar geldende beperkingen vastgesteld. In de opgemaakte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn beperkingen aangenomen in de rubrieken 3, 4 en 5. In de rubrieken 1, 2 (persoonlijk functioneren en sociaal functioneren) en 6 (werktijden) zijn geen beperkingen aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers kon zich met de omschrijving van de belastbaarheid verenigen; voor de door appellante bepleite urenbeperking zag Stammers gelet op de Standaard ‘Verminderde arbeidsduur’ geen aanleiding.
De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de voor appellante vastgestelde beperkingen. Met name heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat het Uwv ten onrechte op de datum in geding (26 april 2004) geen beperkingen heeft aangenomen op de in de rubrieken 1 en 2 ondergebrachte psychische aspecten. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellante op het spreekuur van Van Barneveld, zo blijkt uit diens rapportage van 17 november 2003, alleen melding heeft gemaakt van fysieke klachten, niet tevens van psychische klachten. Ook in het aanvullend bezwaarschrift van 3 mei 2004 heeft appellante geen melding gemaakt van psychische klachten; appellante heeft hierin vooral een vergelijking getrokken tussen de huidige FML en de per einde wachttijd opgestelde FML en dan met name (de verschillen in beiden) op de aspecten staan en zitten. Verder wordt melding gemaakt van vermoeidheidsklachten en van behandeling door een gespecialiseerd fysiotherapeut. Tijdens de telefonische hoorzitting op 19 mei 2004 zijn evenmin psychische klachten gemeld. Na deze hoorzitting heeft de gemachtigde van appellante het Uwv nog een brief van 6 juli 2004 van appellantes (toenmalige) huisarts N.K. Mazloum toegestuurd. Volgens deze brief is appellante bekend met ernstige huwelijksproblemen en veel lichamelijke klachten. De brief maakt melding van een verwijzing naar
GGZ Buitenamstel voor verdere diagnostiek en behandeling in verband met het vermoeden van een depressie. Bezwaarverzekeringsarts Stammers was van oordeel dat in de informatie van Mazloum geen nieuwe medische gezichtspunten werden gepresenteerd: de malaiseklachten en de spanningsklachten in verband met de privé-situatie zijn door de primaire verzekeringsarts meegewogen in de beoordeling.
Ook met de in hoger beroep overgelegde brieven van de behandelende sector heeft appellante de Raad er niet van kunnen overtuigen dat reeds op de datum in geding sprake was van psychosomatische problematiek en wel in die mate dat dit zou moeten leiden tot het aannemen van beperkingen. De brief van psychiater Van der Veer is niet relevant voor de datum in geding omdat appellante pas drie jaar na de datum in geding bij hem onder behandeling is gekomen; zijn stelling dat appellantes klachten al jaren bestaan kunnen derhalve niet gestaafd zijn door eigen waarneming. Met betrekking tot de brief van huisarts Hamaker overweegt de Raad dat diens informatie – hoewel Hamaker zegt te citeren uit het dossier van de toenmalige huisarts van appellante – niet overeenkomt met de informatie uit de brief van 6 juli 2004 van de toenmalige huisarts Mazloum. Zo spreekt Mazloum op die datum (overigens ook gelegen na de datum in geding) van een vermoeden van een depressie, terwijl volgens Hamaker in de maanden na 1 maart 2004 sprake was van een depressie; deze stelling wordt noch gestaafd door Mazloum noch door informatie van een behandelende psychiater. De Raad merkt in dit verband nog op dat ter zitting in eerste aanleg is gebleken dat de verwijzing naar GGZ Buitenamstel niet heeft geleid tot diagnostiek en behandeling, maar dat het is gebleven bij twee gesprekken met een psychiater en dat appellante antidepressiva voorgeschreven heeft gekregen. Eerst medio augustus 2007 is appellante onder behandeling gekomen bij psychiater
Van der Veer. Nu de informatie van Mazloum veel dichter ligt bij de in geding zijnde datum en bovendien informatie uit de eerste hand is, waarmee de informatie van Hamaker niet overeen komt, kan de Raad aan de brief van Hamaker niet die betekenis toekennen die appellante daaraan gehecht wil zien.
Voor wat betreft het door Hamaker en Van der Veer genoemde gebruik door appellante sinds 2004 van een antidepressivum overweegt de Raad dat gelet op het bovenstaande niet aannemelijk is geworden dat appellante dit middel op de datum in geding reeds gebruikte; de Raad verwijst in het bijzonder naar het verslag van de telefonische hoorzitting volgens welke appellante (op dat moment: 19 mei 2004) Naproxen en paracetamol gebruikte.
Gelet op het vorenstaande ziet de Raad evenals de rechtbank geen aanleiding om een onafhankelijke medische deskundige in te schakelen.
Uitgaande van de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het Uwv met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes d.d. 23 juni 2005 een afdoende motivering van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft verschaft.
Gelet op het vorenstaande faalt het hoger beroep. Voor vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
JL