ECLI:NL:CRVB:2007:BB9192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit arbeidsongeschiktheid en in stand laten rechtsgevolgen WAO-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin zijn arbeidsongeschiktheid per 5 april 2004 werd vastgesteld op 15 tot 25%. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de arbeidskundige schatting en medische beoordeling voldoende waren onderbouwd.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn klachten onvoldoende waren meegewogen, mede vanwege een mogelijk verband met eerder doorgemaakte kanker en neuropathische pijn. Hij overlegde medische stukken ter onderbouwing. Het UWV reageerde met een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.
De Raad concludeerde dat de arbeidskundige functies waarop de schatting was gebaseerd de belastbaarheid van appellant niet overschrijden en dat de medische component voldoende was gemotiveerd. De Raad zag geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en verwierp het beroep op eerdere jurisprudentie.
Hoewel het besluit inhoudelijk juist was, vernietigde de Raad het besluit en de aangevallen uitspraak vanwege onvoldoende motivering in eerste aanleg. De rechtsgevolgen van het besluit bleven gehandhaafd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.