ECLI:NL:CRVB:2007:BB9192

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5670 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit arbeidsongeschiktheid en in stand laten rechtsgevolgen WAO-uitkering

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin zijn arbeidsongeschiktheid per 5 april 2004 werd vastgesteld op 15 tot 25%. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de arbeidskundige schatting en medische beoordeling voldoende waren onderbouwd.

In hoger beroep betoogde appellant dat zijn klachten onvoldoende waren meegewogen, mede vanwege een mogelijk verband met eerder doorgemaakte kanker en neuropathische pijn. Hij overlegde medische stukken ter onderbouwing. Het UWV reageerde met een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.

De Raad concludeerde dat de arbeidskundige functies waarop de schatting was gebaseerd de belastbaarheid van appellant niet overschrijden en dat de medische component voldoende was gemotiveerd. De Raad zag geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige en verwierp het beroep op eerdere jurisprudentie.

Hoewel het besluit inhoudelijk juist was, vernietigde de Raad het besluit en de aangevallen uitspraak vanwege onvoldoende motivering in eerste aanleg. De rechtsgevolgen van het besluit bleven gehandhaafd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

05/5670 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 2 augustus 2005, 04/2841 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Leest. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. E.B. Knollema.
II. OVERWEGINGEN
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.
Bij besluit van 23 september 2004 (bestreden besluit), heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 8 juli 2004, waarbij in aansluiting op het einde van de wachttijd appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen geen aanleiding te zien om het Uwv niet te volgen in diens standpunt dat bij de vaststelling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 5 april 2004 in voldoende mate met zijn beperkingen rekening is gehouden. Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank overwogen dat de functie van controleur/tester elektrotechnische apparatuur gelet op de actualiseringsdatum niet in aanmerking kan worden genomen bij de onderhavige schatting; dat de overige aan appellant voorgehouden functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd zijn aan te merken als arbeid die wat betreft de daarin voorkomende belasting in overeenstemming is met de vastgestelde beperkingen, en dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ondanks het afvallen van de functie van controleur/tester elektrotechnische apparatuur blijft vallen in de klasse 15 tot 25%.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv zijn klachten onvoldoende serieus heeft genomen. Hij heeft gesteld ervan overtuigd te zijn dat er een relatie bestaat tussen de door hem in 1989 doorgemaakte kanker en zijn huidige klachten van sensibiliteitsstoornissen in de rechter lichaamshelft. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant bij brief van 20 september 2007 een brief overgelegd van 2 augustus 2006 (met bijlage) van anesthesioloog F. Wille, alsmede een deel uit het Farmacotherapeutisch Kompas van het College voor Zorgverzekeringen, handelend over neuropatische pijn. Van de zijde van het Uwv is hierop gereageerd met een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts C.J. van der Valk d.d. 1 oktober 2007.
De Raad oordeelt als volgt.
Met betrekking tot de medische component van de schatting overweegt de Raad dat hij – evenals de rechtbank en op dezelfde gronden – geen aanknopingspunten ziet om te twijfelen aan de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. De Raad heeft geen redenen aan te nemen dat appellant meer of anders beperkt is. De in hoger beroep overgelegde algemene informatie met betrekking tot neuropathische pijn leidt de Raad niet tot een ander oordeel, omdat die informatie niet is toegespitst op appellant. Het beroep dat appellant ter zitting heeft gedaan op de uitspraak van de Raad van 6 september 2000, gepubliceerd in RSV 2000/233, faalt. Niet alleen is bij appellant geen sprake van de in die uitspraak bedoelde extreme vermoeidheidsklachten, maar tevens kan anders dan in genoemde uitspraak niet worden gezegd dat onomstreden is dat appellants klachten in een bepaald causaal verband staan met de doorgemaakte ziekte en/of de daarvoor ondergane therapie. Bezwaarverzekeringsarts Van der Valk heeft er in haar rapport van
1 oktober 2007 terecht op gewezen dat in het onderhavige geval verschil van mening bestaat over het causale verband tussen de neuroloog, die geen verband met de vroegere maligniteit aanwezig achtte, en de anesthesioloog, die – bovendien voorzien van een aantal mitsen en maren – de ondergane radiotherapie als enige aanwijsbare factor aanwees.
Uit de in hoger beroep overgelegde informatie van anesthesioloog Wille is naar het oordeel van de Raad voorts niet af te leiden dat er te weinig beperkingen zijn aangenomen of dat er een medische noodzaak is om beperkingen aan te nemen voor lopen en staan.
Nu de Raad van oordeel is dat de medische component voldoende onderbouwd is, ziet de Raad geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Met betrekking tot de arbeidskundige component van de schatting overweegt de Raad dat de functies die - conform de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog d.d. 13 augustus 2007 - na het afvallen van de functie van controleur/tester elektrotechnische apparatuur aan de schatting ten grondslag liggen, de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. Appellant is dan ook per 5 april 2004 terecht ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%.
De Raad overweegt echter dat nu eerst in hoger beroep bij de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Den Hartog van 13 augustus 2007 een afdoende motivering van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is verschaft, zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient te worden vernietigd. Aangezien appellant, zoals hiervoor is overwogen, per
5 april 2004, terecht is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%, is er aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en op
€ 644, - voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting), in totaal € 1.288,-. Van overige kosten is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep ten bedrage van € 1.288,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 37,- en € 103,-, in totaal € 140,- aan hem dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
JL