ECLI:NL:CRVB:2007:BB9195

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6584 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van een WAO-uitkering per 13 januari 2001, omdat hij volgens het UWV minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank benoemde psychiater Van Eyk als onafhankelijke deskundige, die concludeerde dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld en dat hij in staat was om de voorgelegde functies te verrichten.

Appellant voerde aan dat Van Eyk onzorgvuldig had onderzocht en dat er sprake was van een Post Traumatisch Stress Stoornis (PTSS), ondersteund door een psychiatrisch rapport van Van Marle en andere medische stukken. De Raad overwoog echter dat Van Marle een partijdeskundige was en niet door de Raad was ingeschakeld, en dat zijn onderzoek ruim zes jaar na de datum in geschil plaatsvond, waardoor het niet relevant was voor de situatie per 13 januari 2001.

De Raad volgde het oordeel van Van Eyk, dat zorgvuldig en consistent was gemotiveerd, en vond geen reden om daarvan af te wijken. Ook de verklaring van de partner van appellant en de overige medische stukken boden geen voldoende aanknopingspunten om het oordeel te wijzigen.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/6584 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 oktober 2005, 04/424 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.M. Groenhart, werkzaam bij ACOM, de CNV-bond van Militairen te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.P.F. Oosterbos. Als getuige is gehoord D.A.T.F. van Oene, de partner van appellant.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 10 september 2002 heeft het Uwv appellant per 13 januari 2001 (datum in geding) een WAO-uitkering geweigerd om de reden dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is.
Bij besluit van 22 januari 2004 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van
10 september 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft aanleiding gezien psychiater B.J. van Eyk als deskundige te benoemen. Van Eyk heeft bij rapport van 23 maart 2005 de rechtbank van advies gediend. Hij is - kort samengevat - van mening dat het Uwv de beperkingen van appellant juist heeft vastgesteld en dat appellant in staat moet worden geacht de hem voorgehouden functies te verrichten.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant onder meer naar voren gebracht dat Van Eyk geen zorgvuldig onderzoek heeft gepleegd waardoor de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld. Voorts heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met de overige door appellant overgelegde medische stukken. Bij schrijven van 5 oktober 2007 heeft appellant nadere stukken ingediend, waaronder een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
14 november 2005. In deze uitspraak heeft de rechtbank aangenomen dat appellant lijdt aan een Post Traumatisch Stress Stoornis (PTTS). In de aangevallen uitspraak gaat de rechtbank Breda uit van een gedragsstoornis op basis van een ontwikkelingsproblematiek en wordt PTSS niet onderkend. Tevens heeft appellant een afschrift van een psychiatrisch rapport van 20 maart 2007 van prof. dr. H.J.C. van Marle ingediend. Ook hij is van mening dat appellant lijdt aan PTSS. Bij schrijven van 8 oktober 2007 heeft appellant een schrijven van dr. W. op den Velde van 21 augustus 2003 ingediend. Ter zitting van de Raad heeft Van Oene uiteengezet waarom appellant het onderzoek door Van Eyk als onjuist en onzorgvuldig heeft ervaren.
De Raad overweegt als volgt.
In ’s Raads vaste jurisprudentie ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd.
De Raad is van oordeel dat er in het thans aanhangige geval geen aanleiding bestaat om van deze hoofdregel af te wijken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat Van Eyk kennis heeft genomen van de gedingstukken en appellant zelf heeft onderzocht. Hij heeft voorts uitgebreid van zijn bevindingen gerapporteerd en de vragen van de rechtbank beantwoord. Het rapport is naar het oordeel van de Raad zorgvuldig en consistent en naar behoren gemotiveerd. Van Eyk heeft voorts gereageerd op het schrijven van
Op den Velde van 11 april 2004 en – voorzien van een uitvoerige motivering – zijn conclusies gehandhaafd. Ook in het rapport van Van Marle treft de Raad geen aanknopingspunten aan om van de bovenvermelde hoofdregel af te wijken. De Raad overweegt daartoe dat Van Marle appellant ruim zes jaar na de datum in geding heeft onderzocht en daarbij ook aangegeven heeft dat de toestand van appellant gedurende de jaren is verslechterd. De Raad kan zich dan ook vinden in het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts T.J.A. Boel van 10 oktober 2007, waarin hij schrijft dat het rapport van Van Marle geen consequenties heeft voor de beoordeling van de medische situatie van appellant per 13 januari 2001.
De Raad heeft voorts geen aanleiding het onderzoek van Van Eyk als onzorgvuldig of ondeugdelijk te beschouwen. Uit het onderzoeksverslag komen geen aanwijzingen voor dat standpunt naar voren en de eerst ter zitting bij de Raad afgelegde verklaring van
Van Oene vormt evenmin voldoende reden om het onderzoek voor onzorgvuldig of ondeugdelijk te houden. Ook het feit dat Van Eyk de ouders van appellant niet heeft gehoord leidt niet tot die conclusie.
Appellant heeft de Raad verzocht Van Marle nader te bevragen. Dat verzoek kan niet ingewilligd worden nu Van Marle geen door de Raad ingeschakelde deskundige is, maar een partij deskundige. Het had op de weg van appellant gelegen om Van Marle te bevragen over de situatie van appellant per de datum in geding.
De overige van de zijde van appellant overgelegde (medische) stukken bieden evenmin voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant op 13 januari 2001 meer beperkingen had dan het Uwv heeft aangenomen.
Met betrekking tot de arbeidskundige component van de schatting overweegt de Raad dat het Uwv voldoende functies heeft geduid en genoegzaam heeft aangetoond waarom deze functies passend zijn voor appellant. De Raad verwijst hieromtrent naar de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.
Ter voorkoming van misverstanden merkt de Raad op dat de in overweging 2.6 gehanteerde datum van 24 maart 2004 een kennelijke verschrijving is. Die datum is niet in geschil.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2007.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) A.C.W. Ris-van Huussen.
MH