ECLI:NL:CRVB:2007:BB9260

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4085 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 4 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenArt. 5 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting op AOW-pensioen wegens onverzekerde periode en nalatige premiebetaling

Appellant vroeg op 20 september 2003 een AOW-pensioen aan, dat op 20 februari 2004 werd toegekend met een korting van 4% wegens onverzekerde perioden in het buitenland en een korting van 18% wegens nalatige premiebetaling over negen jaren. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar tegen deze korting ongegrond. De rechtbank Utrecht bevestigde dit besluit op 20 mei 2005. In hoger beroep stelde appellant dat hij de brieven niet begreep en dat hem slechts onzorgvuldigheid, geen schuldige nalatigheid, kon worden verweten.

De Raad oordeelde dat appellant geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om de achterstallige premies binnen de wettelijke termijn van vijf jaar alsnog te voldoen. Er waren geen redenen om het verzuim niet aan appellant toe te rekenen. De Raad vond ook geen aanleiding om getuigen te horen over werkzaamheden in de jaren 1966-1968, omdat deze niet relevant waren voor de kern van het geschil, namelijk de verzekeringsstatus in 1961, 1964 en 1965 en de premiebetaling.

Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de korting op het AOW-pensioen bevestigd.

Uitspraak

05/4085 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 mei 2005, kenmerk 04/1702 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 22 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. van der Schuur.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
De Raad gaat hierbij uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
Appellant is geboren [in] 1939. Op 20 september 2003 heeft hij een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) aangevraagd. Bij besluit van 20 februari 2004 is aan appellant met ingang van maart 2004 een pensioen ingevolge de AOW toegekend ter hoogte van 78% van het maximale pensioen van een ongehuwde. Daarbij is vastgesteld dat appellant van 31 augustus 1961 tot en met 1 december 1961 en van 1 januari 1964 tot en met 31 december 1965 niet verzekerd is geweest omdat hij in het buitenland werkzaam was, hetgeen heeft geleid tot een korting van de uitkering met 4%. De hoogte van de uitkering is voorts beperkt op grond van het feit dat appellant over de jaren 1962, 1963, 1966, 1967, 1968, 1970, 1971, 1972 en 1974 schuldig nalatig is geweest premie volksverzekeringen te betalen. Tegen geen van deze besluiten heeft appellant destijds rechtsmiddelen aangewend, noch heeft hij gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de achterstallige premie binnen de wettelijke termijn van vijf jaar alsnog te voldoen. De Svb heeft om deze reden een korting toegepast van 2% per jaar waarin de premies niet zijn afgedragen.
Bij beslissing op bezwaar van 16 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Svb er op goede gronden van uit is gegaan dat appellant in hiervoor genoemde perioden onverzekerd was. Appellant heeft geen enkel gegeven aangedragen waaruit aannemelijk zou kunnen worden dat hij in die perioden wel verzekerd zou zijn geweest omdat hij in het land waar hij werkte ter zake van die arbeid niet verzekerd was krachtens een geldende wettelijke regeling inzake uitkering wegens ouderdom en overlijden. Ten aanzien van de niet-betaalde premies heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant meermaals in de gelegenheid is gesteld deze premies alsnog te voldoen en dat hij er door de Svb op gewezen is dat hij deze binnen een termijn van vijf jaar alsnog kon voldoen, doch dat hij van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in de jaren zestig de inhoud van de brieven niet heeft begrepen, dat hij de brieven aan zijn werkgever heeft overhandigd teneinde deze te behandelen en dat hem hoogstens onzorgvuldigheid verweten kan worden, doch geen schuldige nalatigheid.
De Raad oordeelt als volgt.
Onweersproken is dat aan appellant mededelingen zijn gezonden ten aanzien van de vaststelling van nalatigheid ten aanzien van het betalen van premies over de eerder genoemde perioden. Appellant is hierbij tevens in de gelegenheid gesteld zijn verzuim binnen een termijn van vijf jaar te herstellen. Van deze gelegenheid heeft appellant geen gebruik gemaakt. De Raad is niet gebleken van redenen die ertoe zouden moeten leiden dat dit verzuim niet aan appellant is toe te rekenen. Derhalve staat vast dat appellant schuldig nalatig in de zin van de wet moet worden geacht en dat er om deze reden wegens negen onverzekerde jaren een korting van 18% dient te worden toegepast op de uitkering op grond van de AOW.
De Raad heeft in hoger beroep geen aanknopingspunten aangetroffen om anders dan de rechtbank aan te nemen dat appellant in de jaren 1961, 1964 en 1965 wel in Nederland werkzaam was en derhalve verzekerd moet worden geacht.
Appellant heeft aangeboden getuigen te horen die kunnen bevestigen dat appellant in de jaren 1966 tot en met 1968 met hen heeft samengewerkt. De Raad heeft echter geen aanleiding gevonden de door appellant genoemde personen op te roepen om als getuige te worden gehoord, nu appellants werkzaamheden in de jaren 1966 tot en met 1968 voor de beslechting van het onderhavige geschil niet van belang zijn en deze getuigen over hetgeen in dit geding wèl van belang is - appellants werkzaamheden in 1961, 1964 en 1965, alsmede het betalen van premie - kennelijk geen uitspraken kunnen doen. Appellant heeft voorts geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid deze personen mee te brengen naar de zitting als getuigen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) A. Kovács.
IJ