ECLI:NL:CRVB:2007:BB9294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid bij beëindiging dienstverband met wederzijds goedvinden
Appellante was sinds 1981 in dienst bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en werkte als managementassistente. In september 2005 stemde zij schriftelijk in met de beëindiging van haar dienstverband met wederzijds goedvinden, waarbij een vergoeding werd toegekend. De arbeidsovereenkomst werd per 31 december 2005 ontbonden. Appellante vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die werd geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid omdat zij zelf het ontslaginitiatief had genomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht stelde dat zij verwijtbaar werkloos was geworden. In hoger beroep herhaalde appellante dat zij niet verwijtbaar werkloos was omdat de werkgever het ontslag initieerde en zij boventallig zou worden door een reorganisatie. Zij stelde dat verweer tegen ontslag kansloos was en dat het dienstverband toch spoedig zou eindigen.
De Raad overwoog dat verwijtbare werkloosheid volgt indien de werknemer zelf ontslag neemt, tenzij voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. De Raad vond onvoldoende grond om te oordelen dat appellante dit niet kan worden verweten. Gezien het Sociaal Plan had zij na 1 januari 2006 nog lang in dienst kunnen blijven met vrijstelling van werkzaamheden en loon doorbetaald, en had zij zich kunnen oriënteren op ander werk. Het hoger beroep werd afgewezen en een schadevergoeding werd niet toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.