ECLI:NL:CRVB:2007:BB9346

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1952 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WUV-uitkering wegens ontbreken ziekte of gebrek door vervolging

Appellante, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in maart 2006 een WUV-uitkering aan op grond van lichamelijke en psychische klachten die zij toeschreef aan vervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Verweerster erkende appellante als vervolgde, maar weigerde de uitkering omdat niet was voldaan aan de eis van ziekte of gebrek door of in verband met vervolging.

De Raad oordeelde dat het besluit van verweerster deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd, mede gebaseerd op medische adviezen van geneeskundig adviseurs en een psychiatrisch rapport. Er was geen aanwijzing dat het onderzoek niet aan redelijke eisen voldeed of dat relevante omstandigheden over het hoofd waren gezien.

De Raad vond geen grond om te twijfelen aan het standpunt dat er geen psychische ziekten of gebreken waren toe te schrijven aan de vervolging, mede omdat appellante zich nooit medisch had laten behandelen voor haar psychische klachten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/1952 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante],
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 22 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 15 januari 2007, kenmerk JZ/O70/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Voor appellante is daar verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, in maart 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering en voorzieningen ingevolge de Wet. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten, die naar haar mening een gevolg zijn van de door haar in het voormalige Nederlands-Indië ondergane vervolging.
Bij besluit van 1 september 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster appellante erkend als vervolgde in de zin van de Wet. De gevraagde periodieke uitkering en voorzieningen heeft verweerster evenwel geweigerd, onder overweging dat ten aanzien van appellante niet is voldaan aan de ingevolge artikel 7 van Pro de Wet geldende eis dat sprake is van ziekten of gebreken welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd. Daarbij heeft verweerster zich verenigd met de adviezen van haar geneeskundig adviseurs, inhoudende dat de lichamelijke klachten van appellante duidelijk uit andere oorzaken dan de vervolging zijn ontstaan, terwijl haar psychische klachten niet het niveau bereiken van ziekte of gebrek.
In beroep heeft appellante vooral de juistheid van verweersters opvatting over haar psychische klachten betwist.
Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door en namens appellante in beroep en door verweerster in verweer is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerster over de gestelde psychische klachten van appellante in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, de artsen A.J. Maas en P. Windels. Die adviezen zijn tot stand gekomen op basis van een door de psychiater
E.S. Feingold op 24 juli 2006 ingesteld medisch onderzoek van appellante, alsmede op basis van uit de zogenoemde behandelende sector verkregen informatie. Geconcludeerd is dat appellante wel eens depressief overkomt maar dat van een echte depressie geen sprake is. Verder is onder meer aangegeven dat fobische klachten niet naar voren zijn gekomen en dat geen sprake is van verminderd sociaal functioneren.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Aan de uitgebrachte psychiatrische rapportage, noch aan overigens ter beschikking staande gegevens heeft de Raad, zoals namens appellante gesteld, kunnen ontlenen dat door de keurend psychiater voorbij is gegaan aan voor de beoordeling van de onderhavige aanvraag relevante omstandigheden dan wel dat het onderzoek anderszins niet is ingesteld overeenkomstig daaraan in redelijkheid te stellen eisen. Verder heeft de Raad in de ter beschikking staande medische gegevens geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar genees-kundig adviseurs, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat bij appellante geen sprake is van aan haar vervolging toe te schrijven psychische ziekten of gebreken. Hierbij laat de Raad mede wegen dat appellante zich in verband met de gestelde psychische klachten nimmer onder medische behandeling heeft gesteld.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.J.H. van Baalen.
HD