AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing erkenning burger-oorlogsslachtoffer en WUV-uitkering wegens ontbreken blijvende invaliditeit en oorzakelijk verband
Appellant, geboren in 1939, diende in januari 2006 een aanvraag in op grond van de WUBO en WUV vanwege gezondheidsklachten die hij toeschreef aan zijn internering tijdens de Japanse bezetting in Nederlands-Indië. Verweersters wezen de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarde van blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld en omdat de lichamelijke klachten niet in verband konden worden gebracht met de internering.
Appellant voerde aan dat de omgekeerde bewijslast toegepast moest worden en dat zijn myelopathie verband hield met de slechte voedingssituatie in het kamp. De Raad overwoog dat de omgekeerde bewijslast alleen geldt bij algemeen aanvaarde medische inzichten en dat een plausibel verband onvoldoende is. Medische adviezen wezen op andere oorzaken van de klachten, zoals een degeneratieve nekhernia.
De Raad concludeerde dat de gestelde verbanden onvoldoende onderbouwd zijn om erkenning te verlenen en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van medische criteria en de omgekeerde bewijslast in WUBO- en WUV-zaken.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit en onvoldoende oorzakelijk verband met de internering.
Uitspraak
07/1884 WUBO + 07/1893 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[Appellant],
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster 1)
en
de Raadkamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster 2)
Datum uitspraak: 22 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster 1 van 16 februari 2007, kenmerk JZ/P70/2007, hierna: besluit 1, alsmede tegen het besluit van verweerster 2 van eveneens 16 februari 2007, kenmerk JZ/P70/2007, hierna: besluit 2, ter uitvoering van respectievelijk de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: WUBO, en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: WUV.
Verweersters hebben verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken gevoegd plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Aldaar is appellant in persoon verschenen en hebben verweersters zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren [in] 1939, heeft in januari 2006 een aanvraag ingediend op grond van zowel de WUBO als de WUV. Hij heeft in dit verband aangegeven gezond-heidsklachten te hebben, die hij toeschrijft aan zijn internering tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië in de kampen Brastagi en Aik Pamienke.
Verweerster 1 heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 31 oktober 2006, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit 1. Daarbij is overwogen dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de WUBO, maar dat hij niet voldoet aan de voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer eveneens geldende voor-waarde dat sprake moet zijn van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld.
Verweerster 2 heeft bij besluit van eveneens 31 oktober 2006, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit 2, appellant erkend als vervolgde in de zin van de WUV en aan hem een vergoeding voor huishoudelijke hulp alsmede een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. Voor het overige is de aanvraag van appellant afgewezen.
Verweersters hebben in navolging van adviezen van de geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad het standpunt ingenomen dat bij appellant sprake is van met zijn internering samenhangende (lichte) psychische klachten, die hem evenwel niet invalideren in de zin van de WUBO, noch leiden tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten als vereist voor de WUV en voorts dat de lichamelijke klachten van appellant niet in verband staan met zijn internering tijdens de oorlogsjaren.
Appellant kan zich er niet mee verenigen dat ten aanzien van zijn lichamelijke klachten door verweersters geen verband met zijn internering is aangenomen. Hij heeft daartoe, onder verwijzing naar diverse door hem gevonden medische publicaties, aangevoerd dat toepassing van de omgekeerde bewijslast had moeten leiden tot aanvaarding van een verband met de vervolging, met name ten aanzien van de bij hem bestaande myelopathie.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge de in zowel de WUBO als de WUV neergelegde regeling van de zogenoemde omgekeerde bewijslast wordt het verband tussen het ontstaan of de verergering van een aandoening enerzijds en de relevante oorlogsomstandigheden anderzijds aanvaard, wanneer de aandoening niet duidelijk door andere oorzaken is ontstaan of verergerd. De stelling van appellant dat toepassing van de omgekeerde bewijslast moet leiden tot aanvaarding van een verband als hiervoor bedoeld, wanneer een dergelijk verband ook maar enigszins plausibel is te achten, is niet voor de eerste maal aan de Raad voorgelegd. De enkele omstandigheid dat een verband tussen een aandoening en de relevante oorlogservaringen niet is uit te sluiten, als door appellant naar voren gebracht, heeft de Raad altijd onvoldoende geoordeeld om die aandoening met toepassing van de omgekeerde bewijslast als gevolg van die oorlogservaringen te aanvaarden. Met betrekking tot het zowel in de WUBO als de WUV neergelegde adagium dat bij toepassing van de omgekeerde bewijslast rekening wordt gehouden met de inzichten en ervaringen van de medische wetenschap, heeft de Raad steeds geoordeeld dat het moet gaan om algemeen aanvaarde medische inzichten met betrekking tot de relatie tussen het oorlogsgeweld en de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand en voorts dat volgens deze algemeen aanvaarde medische inzichten een andere oorzaak van de betreffende aandoening in beslissende mate waarschijnlijk is te achten.
Door appellant is de stelling naar voren gebracht dat de bij hem bestaande myelopathie samenhangt met zijn skeletconditie, vooral cervicaal, en dat deze skeletconditie wederom samenhangt met de slechte voedingssituatie in het kamp, zodat langs deze weg de myelopathie als “causaal” zou moeten worden aanvaard. Deze stelling heeft appellant onderbouwd met onder meer het verslag van een ten behoeve van de Henderson Trust gehouden lezing door R.W. Porter, waarin een verband tussen ondervoeding op jeugdige leeftijd en de ontwikkeling van het bewegingsapparaat waarschijnlijk wordt geacht.
De Raad kan deze stelling van appellant niet volgen.
Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, en ook verweerster ter zitting naar voren heeft doen brengen volgt naar algemeen aanvaarde medische inzichten na een periode van ondervoeding op zeer jeugdige leeftijd een zodanig herstel dat van blijvende gevolgen voor de skeletconditie over het algemeen geen sprake is.
Voorts heeft verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, aangegeven dat op grond van de aanwezige - uitvoerige - medische gegevens aannemelijk is dat de klachten van het bewegingsapparaat in verband zijn te brengen met een al langer bestaande nekhernia, een constitutionele, degeneratieve aandoening.
De Raad heeft in de voorhanden zijnde gegevens geen aanknopingspunt gevonden om aan de juistheid van dit medisch oordeel van verweersters geneeskundig adviseurs te twijfelen. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad toepassing van de omgekeerde bewijslast er niet toe leiden dat de bij appellant aanwezige myelopathie indirect als gevolg van de tijdens de oorlogsjaren ondergane slechte voedingssituatie wordt aangemerkt en daarmee als “causale” aandoening wordt aanvaard.
Met betrekking tot de overige bij appellant bestaande lichamelijke aandoeningen is door de geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad eveneens steeds een andere oorzaak dan de oorlogservaringen aangewezen en deze oorzaken zijn door verweersters in de bestreden besluiten als zodanig neergelegd. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om op dit punt tot een ander oordeel te komen.
De beroepen van appellant moeten gezien het vorenstaande ongegrond verklaard worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.