ECLI:NL:CRVB:2007:BB9348

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1665 AOR
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsongeschiktheidspercentage invaliditeitsuitkering Algemene Oorlogsongevallenregeling

Appellante, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in juni 2004 een aanvraag in voor een invaliditeitsuitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Bij besluit van 23 september 2005 werd zij erkend als oorlogsslachtoffer en werd haar arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 30%. Na bezwaar werd dit percentage verhoogd naar 60%, gebaseerd op medisch onderzoek door psychiater H.S.R. Witte.

Psychiater Witte stelde vast dat 75% van de invaliditeit van appellante voortkomt uit psychische problematiek, waarvan driekwart direct of indirect het gevolg is van de oorlogscalamiteit. Appellante betwistte dit percentage en voerde aan dat haar psychische problematiek niet als een geheel is beschouwd en dat het rapport onjuist is geïnterpreteerd.

De Raad oordeelde dat het besluit en het rapport van psychiater Witte voldoende onderbouwd zijn. De Raad vond dat de psychiater terecht een onderscheid maakte tussen oorlogsgerelateerd letsel en andere traumatiseringen in het verdere leven van appellante. Er was geen aanleiding om het rapport anders te interpreteren dan verweerster deed. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 60% wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/1665 AOR
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante],
en
de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 22 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 19 februari 2007, kenmerk 1206/CAOR, ter uitvoering van de Algemene oorlogsongevallenregeling, hierna: AOR.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2007. Aldaar is appellante verschenen bij gemachtigde mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar secretaris mr. L.H.G. Belleflamme alsmede door mr. R.L.M.J. Gielen.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren [in] 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, in juni 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van onder meer een invaliditeitsuitkering ingevolge de AOR.
Bij besluit van 23 september 2005 heeft verweerster appellante erkend als oorlogsslachtoffer in de zin van de AOR en bepaald dat zij ten gevolge van het oorlogsletsel (psychische en psychosomatische klachten) voor 30% ongeschikt is tot het verrichten van passende arbeid. Een namens appellante ingediend bezwaar gericht tegen de hoogte van het haar toegekende arbeidsongeschiktheidspercentage is bij het thans bestreden besluit gegrond verklaard en dit percentage is daarbij nader bepaald op 60. Verweerster heeft dit standpunt ingenomen op basis van bij appellante verricht medisch onderzoek door psychiater H.S.R. Witte, die heeft vastgesteld dat 75% van de bij appellante aanwezige invaliditeit is bepaald door haar psychische problematiek en dat driekwart van deze psychische problematiek het directe of indirecte gevolg is van de oorlogscalamiteit, hetgeen resulteert in afgerond 60% arbeidsongeschiktheid.
Appellante kan zich ook in beroep niet verenigen met het voor haar vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage. Namens appellante is aangevoerd dat ten onrechte door verweerster de bij appellante aanwezige psychische problematiek niet als één geheel is beschouwd en als causaal is aangemerkt en verder dat verweerster blijk heeft gegeven van een onjuiste lezing van het door psychiater Witte uitgebrachte rapport.
Naar het oordeel van de Raad is het bestreden besluit met het door psychiater Witte uitgebrachte rapport naar behoren onderbouwd. De Raad ziet geen aanknopingspunten om het daarop gebaseerde standpunt van verweerster voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad heeft psychiater Witte appellante zeker niet te kort gedaan door niet alleen te komen tot een waardering van het voor de AOR rechtstreeks in aanmerking te nemen oorlogsletsel, maar ten dele ook de gevolgen van de in appellantes verdere leven opgetreden sequentiële traumatisering te verdisconteren in de door hem aan de oorlogs-omstandigheden toe te rekenen invaliditeitspercentage. Voor het verdisconteren van alle moeilijkheden die appellante in haar leven heeft gehad heeft deze psychiater naar het oordeel van de Raad op goede gronden geen aanleiding gezien, zodat een deel van de bij appellante aanwezige psychische problematiek terecht niet is aangemerkt als voor de AOR in aanmerking te nemen letsel.
De Raad kan appellante voorts niet volgen in haar opvatting dat verweerster het door psychiater Witte uitgebrachte rapport niet op de juiste wijze heeft geïnterpreteerd. Naar het oordeel van de Raad is de conclusie van Witte met betrekking tot de bij appellante aanwezige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van de oorlogsomstandigheden, in overeenstemming met de lezing van verweerster zoals neergelegd in het bestreden besluit. De Raad betrekt hierbij mede de door psychiater Witte gegeven nadere toelichting op de door hem vastgestelde invaliditeitsberekening, zoals blijkt uit een telefoonnotitie op het uitgebrachte rapport.
Hetgeen overigens door appellante naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get,) M.J.H. van Baalen.
HD