AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging schorsing en hervatting WW-uitkering per 30 augustus 2005
Appellant ontving vanaf juni 2003 een WW-uitkering die door het UWV op 11 juli 2005 werd geschorst vanwege een langdurig verblijf in het buitenland zonder toestemming. Het UWV hervatte de uitkering per 30 augustus 2005, nadat appellant had gemeld teruggekeerd te zijn in Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze hervatting ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de uitkering al vanaf 11 juli 2005 of subsidiair vanaf 2 augustus 2005 had moeten worden voortgezet, en dat het ontbreken van hoger beroep tegen de schorsing niet als instemming mocht worden gezien. De Raad oordeelde dat het besluit tot schorsing onherroepelijk is en dat de hervatting van de uitkering pas per 30 augustus 2005 terecht plaatsvond, omdat het onderzoek naar het recht op uitkering nog liep.
Daarnaast wees de Raad erop dat het UWV het onderzoek heeft afgerond en de uitkering over bepaalde perioden heeft ingetrokken vanwege onrechtmatig verblijf in het buitenland. De vraag of appellant recht had op uitkering over de vakantieperiode kan in een aparte bezwaarprocedure worden behandeld. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WW-uitkering van appellant terecht pas per 30 augustus 2005 is hervat na schorsing wegens verblijf in het buitenland.
Uitspraak
06/6226 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 september 2006, 06/763 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 november 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 4 juli 2007 een vraag van de Raad beantwoord en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.H.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.2. Appellant ontvangt vanaf 2 juni 2003 een WW-uitkering. Bij besluit van 11 augustus 2005 heeft het Uwv de betaling van de uitkering van appellant met ingang van 11 juli 2005 geschorst in afwachting van de resultaten van een onderzoek naar het recht op uitkering dat werd ingesteld omdat was gebleken dat appellant al geruime tijd zonder toestemming van het Uwv in het buitenland verbleef. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden. Bij besluit van 6 december 2005 heeft het Uwv de uitbetaling van de uitkering met ingang van 30 augustus 2005 voortgezet. Het bezwaar van appellant tegen dat besluit is bij besluit van 23 maart 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het standpunt ingenomen dat door de mededeling van appellant dat hij vanaf 30 augustus 2005 weer in Nederland is, de uitsluitingsgrond die mede aan de beslissing tot schorsing ten grondslag ligt niet langer van toepassing is, en dat er geen aanwijzigen zijn dat die datum niet juist zou zijn of dat inzake de voortzetting van de uitkering onjuist of onzorgvuldig is gehandeld.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten de uitkering van appellant niet eerder dan vanaf 30 augustus 2005 voort te zetten.
4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat, indien de omstandigheden die tot de schorsing hebben geleid nog eens goed worden bestudeerd, de conclusie moet zijn dat de uitkering met ingang van de datum van schorsing, dat is 11 juli 2005, moet worden voortgezet. Uit het feit dat tegen de uitspraak van de rechtbank over de schorsing geen hoger beroep is ingesteld mag naar de mening van appellant niet worden afgeleid dat hij met die uitspraak instemt. Subsidiair is appellant van mening dat de uitkering met ingang van 2 augustus 2005 had moeten worden voortgezet, omdat hij vanaf die datum wegens vakantie in het buitenland verbleef.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.
5.2. De Raad onderschrijft in de eerste plaats het oordeel van de rechtbank dat argumenten die betrekking hebben op het in rechte onaantastbaar geworden besluit tot schorsing van de betaling van de uitkering in de onderhavige procedure betreffende het besluit tot opheffing van die schorsing niet meer aan bod kunnen komen.
5.3. Zowel de schorsing van de betaling van de uitkering van appellant als de hier in het geding zijnde opheffing van die schorsing vond plaats in afwachting van de resultaten van een onderzoek naar het recht op uitkering over een tweetal perioden gedurende welke appellant in Spanje heeft verbleven. In het feit dat appellant per 30 augustus 2005 in Nederland is teruggekeerd heeft het Uwv aanleiding gevonden de betaling van de uitkering vooruitlopend op de uitkomst van het onderzoek naar het recht op uitkering met ingang van 30 augustus 2005 te hervatten. De Raad is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan aanleiding bestond hiertoe met ingang van een eerdere datum over te gaan.
5.4. De stelling van appellant dat hij vanaf 2 augustus 2005 wegens vakantie in Spanje verbleef en recht had op uitkering leidt de Raad niet tot een ander oordeel, omdat het bestreden besluit slechts ziet op de hervatting van de betaling van de uitkering en het onderzoek betreffende het recht op WW-uitkering dat ten tijde van het bestreden besluit nog gaande was. In dit verband wijst de Raad erop dat het Uwv het onderzoek naar de vraag of appellant over onder meer de periode van 11 juli 2005 tot en met 29 augustus 2005 recht had op een WW-uitkering inmiddels heeft afgerond en bij besluit van 12 juni 2007 de uitkering van appellant over de perioden van 27 september 2004 tot en met
17 januari 2005 en van 28 maart 2005 tot en met 29 augustus 2005 heeft ingetrokken op de grond dat hij niet heeft doorgegeven dat hij gedurende die perioden in het buitenland verbleef anders dan wegens vakantie en geen recht had op WW-uitkering. Daarnaast zijn besluiten tot terugvordering en tot het opleggen van een boete genomen. De stelling van appellant dat hij in het licht van de Vakantieregeling WW recht had op uitkering over de periode van 2 tot en met 29 augustus 2005 kan in het kader van de bezwaarprocedure tegen voormeld herzieningsbesluit aan de orde komen.
5.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en B.M. van Dun en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007.