ECLI:NL:CRVB:2007:BB9714

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1560 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 2 Wet arbeid vreemdelingenArt. 8:75 AwbAlgemene wet bestuursrechtWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf en tewerkstellingsvergunning

Appellant, met de Afghaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en later een W-document dat rechtmatig verblijf aangaf, maar geen geldige tewerkstellingsvergunning. Hij werkte vanaf januari 2004 als verdeler bij Bakkerij Fuite B.V. totdat hij in december 2005 zijn werkzaamheden moest staken na een inval van de vreemdelingenpolitie. De werkgever ontsloeg hem op staande voet wegens het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning en misleiding.

Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. In bezwaar wijzigde het UWV het besluit en stelde dat appellant niet verzekerd was ingevolge de WW omdat hij illegaal had gewerkt zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het gewijzigde besluit een nieuw primair besluit was en dat hij ten onrechte werd geweigerd omdat hij premies had betaald en rechtmatig ingeschreven stond als werkzoekende. De Raad oordeelde dat het bezwaar een heroverweging betrof en dat het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning en het niet-rechtmatig verblijf hem uitsluit van WW-rechten. De algemeen pardonregeling verleent geen terugwerkende kracht.

De Raad concludeerde dat appellant niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt en dat de weigering van de WW-uitkering terecht is. Ook de stelling dat de werkgever tekort is geschoten is niet doorslaggevend. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens ontbreken van rechtmatig verblijf en tewerkstellingsvergunning.

Uitspraak

07/1560 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 31 januari 2007, 06/1920 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 november 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K.J. Meijer, advocaat te Sint Annaparochie, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meijer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1. Appellant, die de Afghaanse nationaliteit heeft, heeft over de periode van 10 oktober 2001 tot 17 maart 2003 beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 8, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Aansluitend heeft appellant een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aangevraagd. In afwachting van de beslissing op deze aanvraag is appellant in het bezit gesteld van een zogeheten W-document, een identiteitsbewijs waaruit blijkt dat sprake is van een rechtmatig verblijf conform artikel 8, aanhef en onder f en h, van de Vreemdelingenwet 2000. Appellant is met ingang van 4 januari 2004 opnieuw werkzaam geweest in dienst van Bakkerij Fuite B.V., gevestigd te Kampen, (hierna: de werkgever) in de functie van verdeler. Na tussenkomst van de vreemdelingenpolitie heeft appellant zijn werk op 7 december 2005 gestaakt. Bij brief van 14 december 2005 heeft de werkgever appellant op staande voet ontslagen omdat hij niet beschikt over een tewerkstellingsvergunning en hij de werkgever daaromtrent heeft misleid.
2.2. Appellant heeft op 23 december 2005 een aanvraag om een uitkering ingevolge de WW ingediend. Bij besluit van 17 januari 2006 heeft het Uwv appellant de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd op de grond dat hij door zijn handelwijze jegens de werkgever verwijtbaar werkloos is geworden. In bezwaar heeft appellant betwist dat hij verwijtbaar werkloos is geworden en aangevoerd dat hij ten gevolge van een inval door de vreemdelingenpolitie op zijn werkplek zijn werkzaamheden heeft moeten staken. Bij brief van 28 juni 2006 heeft het Uwv appellants gemachtigde in kennis gesteld van het voornemen het besluit van 17 januari 2006 te wijzigen in die zin dat aan appellant geen WW-uitkering kan worden toegekend omdat hij in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (WAV) bij de werkgever arbeid heeft verricht en hij om die reden niet verzekerd was ingevolge de WW. De gemachtigde van appellant heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om op dit voornemen te reageren. Het Uwv heeft bij besluit van 17 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 januari 2006 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant niet in aanmerking kan komen voor een WW-uitkering omdat hij niet verzekerd was ingevolge de WW.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft uit de beschikbare gedingstukken afgeleid dat appellant in de periode van 22 februari 2005 tot 22 februari 2006 weliswaar rechtmatig verblijf in Nederland had, maar dat ten behoeve van appellant niet de vereiste tewerkstellingsvergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de WAV was afgegeven, zodat hij in die periode niet in overeenstemming met laatstgenoemde wet arbeid in dienstbetrekking heeft verricht. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellant niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW, zodat hij op die grond geen recht heeft op een WW-uitkering.
4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd, zoals nader toegelicht ter zitting van de Raad, dat het bestreden besluit op een geheel andere grondslag berust dan het primaire besluit van 17 januari 2006, zodat het bestreden besluit moet worden aangemerkt als een primair besluit waartegen de mogelijkheid van bezwaar open had moeten staan. Voorts heeft appellant herhaald dat hem ten onrechte een WW-uitkering is geweigerd omdat hij premies heeft betaald en zich heeft laten inschrijven als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen. Naar de mening van appellant dient de omstandigheid dat hij geen rechtmatig verblijf heeft gehad en de werkgever heeft verzuimd een tewerkstellingsvergunning aan te vragen niet voor zijn rekening en risico te komen. Dit gevolg is volgens appellant temeer buitengewoon onredelijk omdat hij inmiddels in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de zogeheten algemeen pardonregeling.
5.1. De Raad, oordelend over de aangevallen uitspraak, overweegt het volgende.
5.2. Zoals de Raad meermalen heeft overwogen, waaronder in zijn uitspraak van 25 juni 2003, LJN AI0054, brengen de systematiek en uitgangspunten van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter zake van het beslissen op een bezwaarschrift mee dat een aangevochten besluit in volle omvang wordt heroverwogen. Ten gevolge daarvan kan blijken dat een besluit niet kan worden gehandhaafd, hetgeen er vervolgens toe kan leiden dat daarvoor een ander besluit in de plaats wordt gesteld. Dit betekent dat binnen deze systematiek de eis kan worden gesteld dat het nieuwe besluit nog wel moet zijn te beschouwen als het resultaat van de heroverweging. Dit brengt tevens mee dat niet snel kan worden geconcludeerd dat de heroverweging is uitgemond in een nieuw primair besluit. Naar het oordeel van de Raad is er in het onderhavige geval geen sprake van dat de beslissing op bezwaar niet langer als het resultaat van de heroverweging is te beschouwen, nu het onderwerp van geschil onveranderd de afwijzing van een aanvraag om een WW-uitkering per 8 december 2005 is. Dat aan die afwijzing andere overwegingen ten grondslag zijn gelegd, doet, gelet op het voorgaande, daar niet aan af.
5.3. Vast staat en niet in geschil is dat appellant ten tijde hier van belang weliswaar rechtmatig in Nederland verbleef, maar dat geen sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Verder staat vast dat appellant in deze periode heeft gewerkt zonder dat de werkgever in het bezit was van een ten behoeve van appellant afgegeven tewerkstellingsvergunning. Gelet op het in de aangevallen uitspraak weergegeven samenstel van Nederlandse rechtsregels is appellant daarom niet aan te merken als werknemer in de zin van de WW en heeft hij op grond daarvan geen recht op uitkering ingevolge die wet. De omstandigheid dat appellant, naar hij ter zitting heeft verklaard, inmiddels beschikt over een verblijfsvergunning waaraan geen beperkingen tot het verrichten van arbeid zijn verbonden op basis van de zogeheten algemeen pardonregeling, kan daaraan niet afdoen omdat aan die vergunning geen terugwerkende kracht is verleend.
5.4. Zoals de Raad reeds vaker tot uitdrukking heeft gebracht, staat de omstandigheid dat premie is geheven op het door appellant verworven arbeidsloon, los van de vraag of de betrokkene verzekerd is ingevolge de WW. Het standpunt van appellant dat de werkgever heeft verzuimd een tewerkstellingsvergunning aan te vragen en dat de gevolgen daarvan niet voor zijn rekening en risico behoren te komen kan de Raad niet onderschrijven. In dit verband merkt de Raad op dat het appellant blijkens het aan hem verstrekte W-document, behoudens specifieke arbeid, niet was toegestaan arbeid te verrichten. Ter zitting van de Raad heeft appellant erkend dat de arbeid die hij bij de werkgever heeft verricht niet viel onder de betreffende specifieke arbeid, zodat de werkgever ook niet had kunnen bewerkstelligen dat appellant zijn arbeid in overstemming met de WAV verrichtte.
5.5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en B.M. van Dun en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2007.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) M.D.F. de Moor.
21/11
SG