ECLI:NL:CRVB:2007:BB9773

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6348 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:2 AwbArt. 4:5 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit College om aanvraag bijzondere bijstand verhuiskosten buiten behandeling te laten

Appellant diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten in verband met een noodzakelijke verhuizing. Het College liet de aanvraag buiten behandeling omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de gevraagde nota’s had verstrekt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep heeft appellant zijn bezwaren herhaald, maar de Raad stelt vast dat het College terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid op grond van artikel 4:5 Awb Pro om de aanvraag niet te behandelen bij onvoldoende gegevens. De gevraagde nota’s waren noodzakelijk voor een goede beoordeling van de aanvraag, en appellant heeft deze niet tijdig aangeleverd.

De Raad verwijst naar vaste jurisprudentie omtrent het alsnog overleggen van gegevens in bezwaar en concludeert dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

06/6348 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 oktober 2006, 05/8007 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 5 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 oktober 2007. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
In verband met een (noodzakelijke) verhuizing naar een nieuwe woning heeft appellant op 6 oktober 2004 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand voor verhuiskosten. Deze aanvraag heeft geleid tot het besluit van
17 december 2004, waarbij het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) buiten behandeling heeft gelaten op de grond dat appellant niet vóór 26 november 2004 de nota’s verhuiskosten heeft verstrekt waarom het College bij brieven van 21 oktober 2004, 5 november 2004 en 12 november 2004 had verzocht.
Bij besluit van 7 oktober 2005 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 december 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 7 oktober 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij de in beroep aangevoerde gronden herhaald.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is onder meer sprake van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag, indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
De Raad stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat de gevraagde nota’s van belang waren om het recht op bijstand van appellant te kunnen beoordelen. De Raad is voorts, evenals de rechtbank, van oordeel dat uit de gedingstukken niet blijkt dat appellant - zoals hij heeft gesteld - binnen de hem laatstelijk gestelde termijn tot 26 november 2004 alle gevraagde gegevens heeft verstrekt. Gelet hierop was het College bevoegd was om de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Met betrekking tot hetgeen door appellant is aangevoerd omtrent het alsnog overleggen van de gevraagde gegevens in bezwaar verwijst de Raad naar zijn vaste jurisprudentie, zoals in de aangevallen uitspraak weergegeven.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen grond voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2007.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) S.R. Bagga.
IJ041207