ECLI:NL:CRVB:2007:BB9987

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5108 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58, eerste lid, aanhef en onder a, WWBArt. 4:84 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugvordering kosten bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht

Betrokkene ontving bijstand sinds 1986. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel trok de bijstand in over de periode 1 januari 2002 tot en met 21 februari 2005 vanwege het niet opgeven van een bankrekening, waardoor de inlichtingenplicht werd geschonden. Vervolgens vorderde het College de kosten van bijstand terug, aanvankelijk €53.640,07, later verlaagd naar €51.358,54 over de periode 1 januari 2002 tot 4 december 2004.

De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond voor de intrekking van de bijstand, maar vernietigde het terugvorderingsbesluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van haar overwegingen. De rechtbank vond dat terugvordering beperkt moest worden tot het bedrag waarmee de vermogensgrens werd overschreden, eventueel vermeerderd met belastingen en premies.

Het College stelde hoger beroep in tegen deze beperking en voerde aan dat volledige terugvordering gerechtvaardigd is bij schending van de inlichtingenplicht. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College een vaste gedragslijn volgt waarbij steeds tot volledige terugvordering wordt overgegaan bij schending van de inlichtingenplicht, tenzij dringende redenen of bijzondere omstandigheden zich voordoen. In dit geval waren die niet aanwezig, zodat het beroep van het College slaagde en de rechtbankuitspraak voor zover het terugvordering betreft werd vernietigd.

De Raad verklaarde het beroep van betrokkene tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen het terugvorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de volledige kosten van bijstand is terecht.

Uitspraak

06/5108 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 18 juli 2006, 06/1194 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene]
en
appellant
Datum uitspraak: 11 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.J. Stoffer, werkzaam bij de gemeente Tiel. Betrokkene is verschenen, vergezeld van zijn dochter [naam dochter] en bijgestaan door mr. W. Ploeg, advocaat te Culemborg.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Betrokkene ontving bijstand sedert 1986. Bij besluit van 26 april 2005, zoals gewijzigd bij besluit van 15 juni 2005 heeft het College de bijstand van betrokkene ingetrokken over de periode van 1 januari 2002 tot en met 21 februari 2005. Daaraan is ten grondslag gelegd dat betrokkene door geen opgave te doen van de bankrekening met nummer [nr.] zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand over die periode niet is vast te stellen. Bij besluit van 15 juni 2005 heeft het College de kosten van bijstand over bedoelde periode teruggevorderd tot een bedrag van € 53.640,07.
Bij besluit op bezwaar van 9 januari 2006 zijn - voor zover hier van belang - de intrekking en terugvordering gehandhaafd in dier voege dat de periode nader is vastgesteld van 1 januari 2002 tot 4 december 2004, terwijl de hoogte van het terug te vorderen bedrag is verlaagd naar € 51.358,54. Aan de intrekking heeft appellant alsnog ten grondslag gelegd dat betrokkene, zonder daarvan aan het College melding te maken heeft beschikt over een vermogen boven de op hem van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen en dat als gevolg daarvan ten onrechte bijstand is verleend.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen de intrekking. Voorts heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen de terugvordering, het besluit van 9 januari 2006 in zoverre vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw terugvorderingsbesluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft ten aanzien van de terugvordering onder meer overwogen dat appellant op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is de kosten van de bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot 4 december 2004 van betrokkene terug te vorderen, maar dat een redelijk gebruik van die bevoegdheid meebrengt dat de vordering wegens ten onrechte verstrekte bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot 4 december 2004 wordt beperkt tot het bedrag waarmee de middelen van betrokkene de op hem van toepassing zijnde vermogensgrens heeft overschreden, eventueel vermeerderd met belastingen en premies.
Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op de terugvordering. Hij stelt zich op het standpunt dat de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot 4 december 2004 volledig mogen worden teruggevorderd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of appellant een juist gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot 4 december 2004 volledig van betrokkene terug te vorderen.
Dienaangaande is de Raad gebleken dat appellant bij de uitoefening van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de vaste gedragslijn volgt dat steeds tot terugvordering van de kosten van bijstand wordt overgegaan in geval van schending van de inlichtingenverplichting, tenzij sprake is van dringende redenen. Die vaste gedragslijn acht de Raad niet onredelijk. In dit geval is overeenkomstig die vaste gedragslijn beslist. In hetgeen namens betrokkene is aangevoerd, te weten dat hij als gevolg van de in geding zijnde terugvordering jarenlang zal worden geconfronteerd met maandelijkse aflossingen op het teruggevorderde bedrag, ziet de Raad geen dringende redenen en ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van de vaste gedragslijn had moeten afwijken.
Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het besluit van 9 januari 2006 voor zover betrekking hebbend op de terugvordering ongegrond verklaren.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 januari 2006 voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en K. Zeilemaker en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2007.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) N.L.E.M. Bynoe.
IJ