ECLI:NL:CRVB:2007:BB9997

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1554 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 WUVArt. 43 lid 2 WUVArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking WUBO-uitkering en vaststelling ingangsdatum WUV-uitkering

Appellant had sinds 1990 een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO). In 2006 vroeg hij een uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV), waarop hem een gunstigere uitkering werd toegekend met ingang van 1 augustus 2006. De eerdere WUBO-uitkering werd per die datum ingetrokken.

Appellant stelde bezwaar tegen de ingangsdatum van de WUV-uitkering en vorderde dat deze terug zou gaan tot 1 mei 1990, de datum van zijn oorspronkelijke aanvraag onder de WUBO. Hij voerde aan dat zijn omstandigheden sinds 1990 niet waren gewijzigd en dat de aanvraag destijds ook als WUV-aanvraag had moeten worden behandeld.

De Raad oordeelde dat de WUV-uitkering pas kan ingaan op het moment van de aanvraag, conform artikel 34 WUV Pro. Er is geen wettelijke grond om de eerdere WUBO-aanvraag als WUV-aanvraag te beschouwen. Ook de omstandigheid dat appellant destijds mogelijk was geadviseerd om een WUV-aanvraag in te dienen, leidt niet tot een andere rechtspositie. Procedurele klachten over termijnen werden eveneens ongegrond verklaard.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. Hiermee blijft de intrekking van de WUBO-uitkering per 1 augustus 2006 en de vaststelling van de ingangsdatum van de WUV-uitkering op die datum in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de WUV-uitkering blijft 1 augustus 2006.

Uitspraak

07/1554 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant],
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 29 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 28 februari 2007, kenmerk JZ/I/60/2007 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: WUV).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2007. Appellant is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken zijn aan appellant, naar aanleiding van zijn op grond van de WUV ingediende aanvraag van augustus 2006, bij besluit van 16 oktober 2006 door verweerster ingaande 1 augustus 2006 een periodieke uitkering en voorzieningen toegekend als vervolgde in de zin van de WUV. De appellant sedert 1 mei 1990, ingevolge zijn toen op op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de WUBO) ingediende aanvraag, door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad toegekende periodieke uitkering en voorzieningen als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de WUBO zijn per 1 augustus 2006 ingetrokken. Een en ander is geschied omdat verweerster bij de beoordeling van de ingediende aanvraag op grond van de WUV is gebleken dat de aanspraken ingevolge de WUV voor appellant gunstiger zijn dan die ingevolge de WUBO.
In bezwaar tegen genoemd besluit van 16 oktober 2006 heeft appellant gevorderd dat de ingangsdatum van zijn aanspraken ingevolge de WUV alsnog wordt bepaald op 1 mei 1990. Daartoe heeft appellant aangevoerd, kort gezegd, dat zijn voor toepassing van de WUV en de WUBO relevante omstandigheden sedert 1990 niet zijn gewijzigd en dat derhalve bij adequate behandeling van zijn aanvraag uit 1990 al destijds onderkend had kunnen en moeten worden dat zijn aanspraken ingevolge de WUV gunstiger waren.
Dit bezwaar heeft verweerster bij het nu bestreden besluit ongegrond verklaard, onder overweging, samengevat, dat appellant nu eenmaal eerst in augustus 2006 een aanvraag op grond van de WUV heeft ingediend, hetgeen op grond van artikel 34 van Pro de WUV dwingend meebrengt dat de aanspraken ingevolge de WUV eerst per 1 augustus 2006 kunnen ingaan. Naar het oordeel van verweerster bestaat geen regel van geschreven of ongeschreven recht, leidend tot de verplichting om de destijds ingevolge de WUBO door appellant ingediende aanvraag tevens aan te merken als een aanvraag ingevolge de WUV. De gevolgen van eventuele onbekendheid bij appellant met de mogelijkheid om destijds ook ingevolge de WUV een aanvraag in te dienen komen volgens verweerster voor rekening en risico van appellant.
In beroep heeft appellant zijn in bezwaar gestelde grieven gehandhaafd. Hierbij heeft appellant er nog met nadruk op gewezen dat - naar hem uit de nu beschikbare stukken is gebleken - in een destijds aan de Raadskamer WUBO gericht rapport van bevinding van het Nederlandse Rode Kruis al is opgemerkt dat appellant geadviseerd zou kunnen worden om zich te wenden tot verweerster. Daarnaast heeft appellant nog enige grieven van procedurele aard naar voren gebracht, met name inhoudende dat verweerster de wettelijke beslistermijn in bezwaar en ook de in beroep door de Raad gestelde termijn voor indiening van stukken niet heeft nageleefd.
De Raad kan evenwel het hiervoor weergegeven standpunt van verweerster niet in rechte aantasten.
Op grond van de gedingstukken staat vast - en door appellant wordt ook niet betwist - dat appellant in 1990 alleen een aanvraag op grond van de WUBO heeft ingediend. De enkele omstandigheid dat de Raadskamer WUBO appellant er uit oogpunt van voorlichting op had kunnen wijzen dat in zijn omstandigheden wellicht ook een aanvraag op grond van de WUV ingediend zou kunnen worden, betekent nog niet dat rechtens ervan zou kunnen of zelfs moeten worden uitgegaan dat een zodanige aanvraag ook is ingediend. De WUV biedt verweerster voorts niet de mogelijkheid om af te wijken van hetgeen in artikel 34 van Pro de Wet dwingendrechtelijk is bepaald over de ingangsdatum van uitkeringen en voorzieningen ingevolge de WUV. Al hetgeen appellant hierover heeft gesteld kan - hoe invoelbaar ook - niet tot een ander oordeel leiden.
Wat betreft de door appellant nog naar voren gebrachte procedurele grieven wijst de Raad erop dat voor bezwaarschriften van in het buitenland woonachtige aanvragers op grond van artikel 43, tweede lid, van de WUV een langere beslistermijn geldt, welke termijn in dit geval niet is overschreden. Voorts is de door de Raad aan verweerster gestelde termijn voor indiening van stukken een zogenoemde termijn van orde, hetgeen onder meer betekent dat eventuele niet-naleving daarvan - anders dan appellant kennelijk meent - op zichzelf nog niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2007.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.J.H. van Baalen.
HD